“Als je niet aan journalistiek doet om de wereld te verbeteren, waarvoor doe je het dan?”

Gie Goris interesseerde zich van jongs af aan voor ontwikkelingssamenwerking. Hij ging verre reizen maken en door daarover te schrijven is hij de journalistiek ingerold. Nu is hij hoofdredacteur van MO*magazine, gespecialiseerd in Azië met een focus op Afghanistan en Pakistan. Wij spraken hem over zijn carrière en zijn visie op geëngageerde buitenlandjournalistiek. 

U hebt elektronica en godsdienstwetenschappen gestudeerd. Hoe bent u in de journalistiek terechtgekomen?
Ik ben in de elektronica verzeild geraakt omdat ik niet in staat was mij te voegen naar de strenge regels van de humaniora-opleiding. Ik was een beetje opstandig toen ik een jongen was. Dat resulteerde na drie jaar in de vaststelling dat ik kon kiezen: ofwel bleef ik op school en dacht ik volgend jaar buiten gegooid te worden, ofwel ging ik zelf ergens anders naartoe. Ik koos toen voor de richting elektronica omdat ik het idee had dat daar de toekomst van de mensheid lag. Maar ik ben een onhandige man, ik heb twee linkerhanden.
Ik had een hele goede godsdienstleerkracht en die zei “eigenlijk zou jij godsdienstwetenschap moeten gaan studeren”. Dat sprak me wel aan, destijds kregen wij in de godsdienstles vooral maatschappelijke discussies en ik was toen al veel bezig met sociale thema’s. Ik heb dat vier jaar gedaan met de intentie om te gaan lesgeven. Maar na een jaar werd duidelijk dat ik ook niet echt in de wieg was gelegd voor het onderwijs.
In die tijd was er nog verplichte legerdienst voor jongens, maar ook daar was ik niet geschikt voor dus koos ik voor vervangende burgerdienst. Dat was in de welzijnssector, bij derde wereldorganisatie Broederlijk Delen. En voilà. Ik ben gaandeweg beginnen schrijven over de reizen die ik maakte, naar Nicaragua, de Filipijnen, Thailand, Zuid-Korea en India. Ik heb daarover geschreven voor onder andere het blad Wereldwijd waarvoor ik daarna ging werken. Zo ben ik in de mondiale journalistiek terecht gekomen. Het was een logische evolutie, al had het ook helemaal anders kunnen lopen.

Heeft u nog wat aan uw studies gehad in uw latere carrière?
De eerste tien jaar van mijn journalistieke carrière had ik weinig aan mijn opleiding, ook al werkte ik toen voor het christelijke tijdschrift Wereldwijd. Vandaag heb ik echter het gevoel dat ik er wel veel aan heb, voornamelijk omdat ik nu de regio zuid- en zuidwest-Azië opvolg. De afgelopen jaren heb ik mij gespecialiseerd in de regio Afghanistan-Pakistan-Iran. Ik heb de laatste tien jaar de politiek rond het islamitisch extremisme en de politieke islam en alle discussies daarrond heel actief gevolgd en er veel over gepubliceerd. Rond deze thema’s heb ik het gevoel dat ik als geschoold theoloog een betere uitgangspositie heb dan mijn collega’s. Zij hebben over het algemeen weinig affiniteit met het gegeven religie van binnenuit en kunnen dus ook niet begrijpen dat het een belangrijk gegeven is in het leven van mensen, in culturen, in de manier van vormgeven van een cultuur. Daardoor krijg je een soort berichtgeving die elke vorm van empathisch beschrijven mist, wat ik een groot nadeel vind. Je krijgt een voortdurend herhalen van dezelfde afstandelijke, koude clichés. Er wordt af en toe wel eens een poging gedaan om iemand aan het woord te laten die het anders beschrijft, maar je voelt toch dat er nooit een soort inleven ontstaat. Mijn achtergrond en mijn studies helpen mij wel om bijvoorbeeld de taal die gehanteerd wordt door de politieke islam beter te begrijpen. En begrijpen is denk ik een eerste stap om goed en objectief te kunnen berichtgeven.

“Eigenlijk komt het er op neer dat je een ernstige afwijking moet hebben als je aan buitenlandjournalistiek wil doen.”


Vanwaar uw interesse voor landen als Afghanistan en Pakistan?

Ik koester geen liefde voor een bepaalde regio. Nu ben ik veel bezig met Afghanistan en die regio omdat dat een definiërend conflict van onze tijd is. Ik volg die regio al een aantal jaren. Zo ben ik in 2001 voor het eerst in Pakistan geweest, een dikke maand voor de aanslagen in New York, op bezoek in de Afghaanse vluchtelingenkampen. Er groeide toen een probleem tussen die drie à vijf miljoen Afghaanse vluchtelingen en de Pakistaanse omgeving die de kost moest dragen van die vluchtelingengemeenschap. Bovendien was ik vijf jaar daarvoor in Kasjmir en kwam ik daar in aanraking met de moeilijke verhouding tussen Pakistan en Afghanistan rond de Pashtunse bevolking. Ik had daar dus al wat rond geschreven en toen in 2001 de bombardementen in Afghanistan begonnen ben ik daar nog meer op gefocust geraakt.
Tegen 2005 begon ik erg gefrustreerd te geraken over de weinige en zeker niet zo goede berichtgeving in de Belgische pers. Ik ben er dan zelf maar aan begonnen. Sindsdien ben ik vijf keer in Afghanistan geweest, zowel kort op de militaire basissen als in het land zelf. Dat stelde mij in staat om de context beter te begrijpen en het leven zelf in te kunnen schatten. Het bewees voor mij ook dat je wel degelijk aan journalistiek kunt doen zonder dat je met een helm en een schervenharnas rondloopt of jezelf opsluit in de rangen van het leger. Het maakte mij al snel duidelijk dat een groot deel van het Afghaanse verhaal niet verteld werd in onze media.

Wat is daarnaast uw favoriete journalistieke reisbestemming?
Ik heb echt geen favoriete journalistieke reisbestemming. Ik vind dat er overal verhalen zijn. Ga voor mijn part naar Vosselaar, daar zijn een heleboel verhalen die je kunt oprapen en waarover je kunt schrijven. Ik ben ook een paar keer naar Myanmar geweest. Nu gaat iedereen daar naartoe, maar nadat ik daar in 1993 voor het eerst kwam, was ik twintig jaar lang de enige journalist in Vlaanderen die ooit in Myanmar geweest was. Elke keer dat er daar iets gebeurde, moest ik dus commentaar leveren, want niemand anders was er ooit geweest. Ik vind dat zo vreemd.
Je moet als journalist dus niet op zoek gaan naar een plek waar je verliefd op kan worden, je moet op zoek gaan naar noodzakelijke verhalen. Dan zal je merken dat er geen plaats is waar je als journalist niet kan werken of waar je niet verbonden mee kan raken. Ik ben bijvoorbeeld een paar keer naar Iran geweest en ik vind dat een fantastisch land om naartoe te gaan, echt prachtige mensen heb je daar. Natuurlijk is het niet gemakkelijk om er te werken. De laatste keer dat ik er naartoe ben gegaan heb ik staalhard moeten liegen op de ambassade om een visum te krijgen. Ik moest een toeristenvisum aanvragen. Toen ik het ging ophalen, hebben ze mij apart geroepen: “We weten dat je journalist bent, dus als je journalistiek werk doet en de geheime dienst komt er achter, dan kunnen wij niets voor je doen.” Ik heb dan maar gezegd dat ik dat niet zou doen, dat ik gewoon op toeristische reis ging. Maar dat wanneer ik mensen tegenkwam, ik er natuurlijk wel mee zou praten. Maar dat land is fantastisch! Ik vind het overal prettig om te werken omdat er overal goede verhalen zijn, noodzakelijke verhalen zelfs. Verhalen die wij zouden moeten kennen. Daar gaat het eigenlijk om. Ik vind dat je verliefd moet zijn op je werk en niet op een plek.
Het is wel nuttig om je te specialiseren op een bepaald moment, anders blijf je afhankelijk van wat de persbureaus aanleveren en dat zijn de golven die iedereen volgt. Iedereen is altijd bezig met hetzelfde en loopt achter dezelfde feiten aan, met dezelfde experts en met dezelfde narratieven of dezelfde kaders die gegeven worden aan een verhaal. Net dat moet je kunnen doorbreken, niet om contrarie te zijn, maar omdat de werkelijkheid zich niet laat dwingen in die kaders en die aandachtsgolven.

Wat moet een buitenlandjournalist volgens u in huis hebben?
Ten eerste: een buitenlandjournalist moet altijd werken. Stel dat je in de luxesituatie zou terechtkomen, dat je alleen Pakistan zou moeten volgen. 180 miljoen inwoners, misschien tien keer zo groot als België, een land met institutionele arrangementen die veel complexer zijn dan dit al veel te complexe land. Maar je zou wel de enige zijn die dit volledige land moet volgen, terwijl er voor alleen België een hele binnenlandredactie is met een politieke redactie en een sociale redactie enzovoorts. De realiteit is meestal anders: De Standaard heeft een buitenlandredactie van acht mensen, De Morgen heeft er drie, voor de whole fucking world! Je opdracht is dus zo gigantisch groot dat het bijna niet te doen is. Eigenlijk komt het er op neer dat je een ernstige afwijking moet hebben als je aan buitenlandjournalistiek wil doen. Maar dat is conform mijn overtuiging dat iedereen zijn beroep moet kiezen op basis van zijn gebreken en niet op basis van zijn talenten. Talenten heeft iedereen en daar kom je eigenlijk niet ver mee. Het is je gebrek, je tekorten, je afwijkingen waar je op moet gaan doorwerken, want daar ben je meestal bijzonder in.
Verder vind ik dat elke goede journalist bezeten moet zijn van de wil om het juist te hebben, om goed te verstaan, eigenlijk om de waarheid te vinden. En die waarheid is natuurlijk illusive, die bestaat niet an sich, maar je kunt niet volstaan met iets wat erop lijkt. Je moet altijd blijven zoeken: ‘is dit waar, is dit alles, heb ik het nu juist gesteld?’. Je moet je afvragen of je niet nog een beetje verder moet zoeken. Maar op het einde van het verhaal moet je iets schrijven dat mensen die eigenlijk niet geïnteresseerd zijn toch kan boeien. Je moet dus heel veel complexiteit weer schrappen, maar als je al die complexiteit bevat, weet je tenminste dat wat er staat ongeveer juist is. Dat het mensen dichter bij de waarheid brengt dan het herhalen van de clichés die ze al kennen.
Volgens mij kun je ook geen buitenlandjournalist zijn als je niet wilt reizen. En met reizen bedoel ik niet van hier naar een goed hotel vliegen. Je kunt daar niets doen, je zit opgesloten in een gouden kooi, met airco, met goed eten, het is er veilig en weet ik wat nog allemaal. Daar heb je niets aan. Mijn stelling is: wij hebben daar geen budget voor en thank God we don’t. Wij gaan naar een klein pensionnetje of we logeren eventueel bij mensen als dat kan, zaken die zo dicht mogelijk bij de realiteit waarover je gaat schrijven staan. Dat helpt allemaal om die hartenklop te voelen. Te veel eieren onder u gat, zoals ze dat zeggen, dat helpt eigenlijk helemaal niet.

U pleit in eerdere interviews voor een geëngageerde journalistiek. Wat houdt dit engagement voor u in?
Het engagement voor een betere wereld. De journalistiek moet in de eerste plaats kritisch zijn tegenover de powers that be. Je moet niet kritiekloos zijn tegenover de machtelozen of de vertrapten, maar je hebt de plicht om de macht onder kritiek te stellen. Zij hebben alle macht, ook om de media te beheersen, om het verhaal uit te zetten. Die moet je bekritiseren om de wereld beter te maken, want laten we eerlijk zijn, we leven niet echt in een fraaie wereld. Er is heel wat dat beter zou kunnen, zeker als je zoals wij bij MO* de wereld vanuit kikvorsperspectief bekijkt, vanuit die miljarden mensen die met één of twee dollar per dag moeten toekomen. Als je zo’n perspectief inneemt dan zie je: pff, wat voor een wereld is dit? Die wereld móet echt beter, want mensen sterven eraan. Ik heb ook geen perfect antwoord, maar ik weet wel dat de wereld zoals die nu is niet houdbaar is, niet ecologisch en niet sociaal. In het jongste nummer van MO* zegt Beth Costa, een Braziliaanse journaliste van O Globo (een soort Laatste Nieuws) en voorzitter van de Internationale Federatie van Journalisten: als je niet aan journalistiek doet om de wereld te verbeteren, waarvoor doe je het dan? Toch niet gewoon om de kost te verdienen? Tussen haakjes: dan kun je beter iets anders gaan doen.
Dus je doet het omdat je denkt dat de wereld er beter van wordt als we beter begrijpen wat er gebeurt. Als we dat kunnen begrijpen, zijn we in staat om ook betere mensen te worden en een betere samenleving te bouwen. Dat is voor mij geëngageerde journalistiek. En vanuit die beginpositie ga je op zoek naar hoe het nu eigenlijk zit. Je moet alles dubbel checken. Want iedereen heeft zijn eigen verhaal, ook de mensen met wie je intuïtief eerder sympathiseert. Het is juist door ook die mensen een spiegel voor te houden en te confronteren met de breedte van de realiteit, die veel meer nuances bevat dan zij in hun eigen narratief naar voren brengen, dat je ze in staat stelt zelf ook de wereld beter te maken.
De journalist moet met twee voeten in het slijk staan en moet weten wat er gebeurt. Dan ga je vanzelf sympathiseren met degenen die klappen krijgen, maar dat betekent nogmaals niet dat je kritiekloos bent. Je kunt niet buiten de werkelijkheid staan.

Waarom is het belangrijk dat er een magazine als MO* bestaat?
Om te beginnen is er een gebrek aan internationaal nieuws, aan gewone berichtgeving over wat er in de wereld gebeurt. Ten tweede is veel van het nieuws dat onder buitenlandnieuws valt eigenlijk Europees of Noord-Amerikaans nieuws. Uit onderzoek blijkt dat je nog slechts tien procent van het nieuws overhoudt als je dat nieuws wegneemt. Dus de blik op het Zuiden is afwezig, daarin hebben wij een grote rol te spelen. Ten derde is de manier waarop de nieuwsselectie en de nieuwspresentatie gebeurt steekvlamjournalistiek. Als het over Afrika gaat, dan gaat het over oorlog, corruptie, honger en in het beste geval verkiezingen. Daarmee heb je het ongeveer gehad. Alsof mensen geen levens leiden, geen ambities hebben, geen sociale spanningen verwerken en daarvoor oplossingen vinden. Afrika is als samenleving even rijk als Europa, maar we krijgen dat niet te zien. Die andere blik op het nieuws, die over het algemeen zelfs afwezig is, is dus ook belangrijk.
Bovendien doen we het vanuit een engagement, maar niet vanuit een ideologische vooringenomenheid. Wij selecteren niet op de vraag of wij het ergens mee eens zijn of niet. We selecteren wel op wat wij denken dat relevant is. Dat is natuurlijk deels subjectief, daar ontkom je niet aan, maar het is toch anders dan een echte ideologische maatbeker gebruiken.

U wilt een groot publiek aanspreken, maar hoe doet u dat? Is het niet een beetje preken voor eigen parochie?
Dat is een klassieke opmerking, ik heb daar grote moeite mee. De aanname van de vraag is eigenlijk dat je maar relevant bent als je een heel groot publiek bereikt en vooral als je spreekt met degenen die het niet eens zijn met jou. Het wonderlijke is dat die vraag nooit gesteld wordt aan rechtse magazines of mainstream kranten, die mogen perfect voor eigen parochie preken. De enige reden waarom die vraag gesteld wordt, is omdat het volgens de dominante aanname niet goed is wat wij doen. Wij zouden eigenlijk een ander verhaal moeten vertellen, zodanig dat wij ons wat meer rechts van het centrum zouden bevinden. Als je je daar bevindt dan wordt die vraag niet gesteld want dan is het goed wat je doet, dan ben je objectief en kan de grote massa zich daarin herkennen. Dus ten eerste vind ik dat een heel ideologisch geïnformeerde vraag, waar ik me tegen verzet.
Ten tweede weet ik vanuit mijn theologische vooropleiding dat de kerk al tweeduizend jaar voor eigen parochie preekt, zoals elke religie dat doet. Ze doen dat omdat dat absoluut noodzakelijk is. Het is niet zo dat je een inzicht of overtuiging voor eens en altijd verwerft en dat wij, eens je die verworven hebt, verder kunnen naar de volgende die we moeten overtuigen zodat we uiteindelijk iedereen bereikt hebben. Ja, de grote meerderheid van Vlaanderen bevindt zich centrumrechts, de grote meerderheid van onze lezers bevindt zich daar ook, tot uw verbazing. Want wij worden verspreid via Knack en hun lezerspubliek is niet echt links. Wij spreken dus niet met wat onze eigen parochie genoemd wordt, maar we spreken wel onbeschaamd onze eigen taal.

Tot slot: waar moet het volgens u heen met de wereld?
We moeten naar een wereld met minder ongelijkheid in plaats van stijgende ongelijkheid. We moeten naar een wereld die zijn ecologische grenzen erkent in plaats van ze te negeren. We moeten naar een wereld waarin we minder materiële consumptie hebben, om te planeet te laten overleven. Bovendien moet die consumptie beter verdeeld worden over Noord en Zuid. Dus we moeten naar een wereld waarin hier in het Noorden veel minder geconsumeerd wordt, waardoor er volgens mij veel meer geluk kan ontstaan. Ik vind dat geen doemvooruitzicht, in tegendeel. Ik denk dat er veel goede redenen zijn om deze weg in te slaan, onder andere het geluk onder mensen. Niet alleen in het Zuiden, maar ook hier. Als het niet die richting uit gaat, dan gaat het echt goed fout: conflicten, milieurampen enzovoort. Ik ben van nature niet al te optimistisch aangelegd, dus ik denk dat we hard moeten werken om het tij te keren. En daarvoor is goede journalistiek nodig.

​Leen Vermont & Loes Liemburg​

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *