Voor Halbe

Lieve Halbe,

Ik was op je feest man. Het was raar en fijn. Het voelde als een soort surprise party voor een jarige die niet komt opdagen. Ik had steeds het gevoel dat we ergens op zaten te wachten. Maar toen de pijn van jouw afwezigheid even keihard door me heengeraasd was, toen werd het ook fijn. Ik sprak je collega die vertelde dat ze ook op je werk een afscheid hebben georganiseerd, met alle ouders en kindjes. Eén kindje had gezegd: ik ga zo hard voor Halbe zingen dat hij het hoort! Ik sprak Michel die zei dat het het afgelopen jaar zo goed met je ging. Ik sprak je zus en ik zag je ouders, ik knuffelde je broertje en zusje, het deed pijn maar er was vooral veel liefde. KP en Dave en de anderen zongen Bro Hymn van Pennywise voor je, fantastisch.

We can conquer anything together
All of us are bonded forever
If you die I die that’s the way it is

Het meest koester ik mijn herinneringen aan onze tijd in 2009. We hadden elkaar net ontmoet en we deden eigenlijk niets anders dan chillen in jouw minuscule kamertje bij het Groenesteijnpark. Ik voelde me daar op een baarmoederlijke manier veilig en thuis, net als in al je volgende kamers. Vaak waren we van plan een film te kijken ofzo, maar dat kwam er nooit van. We praatten alleen maar. We gingen vaak naar buiten, naar het Groenesteijnpark, het Sterrenbos, het Paterswoldsemeer. Dan gingen we op een omgevallen boom zitten of op een steiger, gewoon een beetje kijken, grappen maken, praten en stil zijn. Alles was doordrongen van betekenis.

Eerst dacht ik dat dit misschien niet zo moeilijk zou zijn: ik had je immers al losgelaten. Maar dat klopt niet. Ik dacht nog heel vaak aan je en wilde je nog van alles zeggen. Nu besef ik dat die vele woorden, die lange brief die ik je had willen schrijven, zijn samen te vatten in een simpel ‘sorry’ en ‘ik hou van je’. En met die woorden hadden we al eerder ruzies beslecht. Ik denk dus dat je het wel wist, dat je die woorden ook onuitgesproken hebt begrepen.

Nu moet ik steeds aan je graf denken. Het was een prachtige plek, echt iets wat jij gewild zou hebben. Er lagen prachtige bloemen bij en je prachtige familie stond eromheen. Ik tuurde maar in die diepte, naar die kist waar jij in scheen te liggen, al niet meer jij, al zolang niet meer jij. Je was al twee weken dood. Ik weet nog steeds niet wat dat betekent. Ik word alleen maar steeds overvallen door de zinloosheid van alles, maar Jon zegt dat de dood juist het leven de moeite waard maakt. Jij zou dat ook vinden, zo leefde je ook, altijd dankbaar. Jullie zullen wel gelijk hebben, stelletje positivo’s.

Ik verzamel nu steeds meer stukjes van jou, van ons. Je ansichtkaartje uit Portugal dat ik plots terugvond, vlak voor ik het nieuws hoorde (ik geloof niet meer in tekens, maar toch). De oorbellen die je voor me meebracht (uit Zuid-Amerika dacht ik, maar toen kenden we elkaar nog niet, hmm). Je mixtape. De dummy die je me gaf om in te schrijven (ik dacht dat ik die net naar de Kringloop had gebracht wegens nooit in geschreven, verdomme. Maar ik vond hem de dag na je begrafenis bij mijn vader thuis. Ik had hem nota bene zelf voor mezelf klaargelegd om mee te nemen naar Antwerpen). Ook heb je in de tijd dat je mijn kamer onderhuurde verfspetters gemaakt op mijn spiegel en een barst in mijn koffietafel, om me elke dag aan jou te herinneren. En om de een of andere reden doen alle gele bloemetjes me aan jou denken, en ben ik blij overal omringd te zijn door narcissen.

Halbe, mijn vriend, mijn broeder en leraar, ik ben je verloren en heb je daarmee ook teruggevonden. Maar ik had liever gehad dat we elkaar niet meer vaak spraken maar dat je wel nog rondliep daar in het noorden, met je deur altijd open, je grote hart en je ogen om in te verdrinken. Het enige wat mij een heel klein beetje troost is dat je bij je familie was toen je zo plotseling ziek werd en stierf, en dat je heel erg geliefd was. Je hebt veel harten geraakt, en veel goeds betekend voor heel veel mensen. Ook voor mij. Je was mijn beste vriend. Ik wil graag de wereld weer meer door jouw ogen zien, met overal wonderen. Love you forever.

 

Naar Antwerpen liften, 2011Naar Antwerpen liften, 2011

 

De hypocrisie van antiseksisme als racistisch stokpaardje

Hallo Keulen, wtf? Honderd vrouwen aangevallen, aangerand, beroofd en verkracht tijdens oudjaar. Vooral de verdenkingen dat het een geplande aanval zou zijn geweest, zijn zorgwekkend. Wat was het motief dan, vraag je je af. Vrouwen hun plaats wijzen, ze laten merken dat ze niet welkom zijn in de publieke ruimte? Of ontbreekt er een motief, was het gewoon een uiting van diepgaande misogynie of eerder een soort collectieve waanzinnige dronken geilheid?

Het is speculeren en aangezien we nog maar weinig weten van de daders, kunnen we niet veel meer zeggen dan dat deze gebeurtenissen vreselijk schokkend zijn. Maar: ook de reacties erop zijn schrijnend. Want oei, de daders zouden van “Noord-Afrikaanse of Arabische afkomst” zijn. Buitenlanders! Migranten! Vluchtelingen! Koren op de molen van de xenofoben die zich verzetten tegen de komst van vluchtelingen. Ze verkrachten onze dochters immers, zo blijkt maar weer.

Typisch: vrouwen vertellen steeds al over aanranding, bedreiging en verkrachting, en de microagressies waar ze iedere dag mee dealen, maar veel ophef levert dat meestal niet op. Maar nu de schuld aan de Ander kan worden gegeven, is er consternatie alom. Kan het westen eens de hand in eigen boezem steken? We vergeten graag dat de overgrote meerderheid van verkrachtingen plaatsvindt door een bekende – door een oom, een vriend van de familie of een buurman. We vergeten dat rape kits gewoon op de plank blijven liggen en dat er bijna nooit een verkrachter wordt veroordeeld. En daarbij vergeten we voor het gemak ook even dat de meerderheid van de vermoorde vrouwen door hun partner of ex-partner om het leven werden gebracht.

Het seksisme, dat hier door de Ander zo pijnlijk voor het voetlicht wordt gebracht, zit ook nog altijd in onze eigen cultuur ingebakken. Het is alleen meer verscholen, wat het des te moeilijker te bestrijden maakt. Want zijn dit dan geen volkomen ingeburgerde ideeën in onze maatschappij? Dat een meisje dat veel seks heeft een slet is. Dat je een hoer niet kunt verkrachten. Dat mannen altijd seks willen. Dat verkrachting binnen een relatie niet bestaat. Dat je als meisje de verantwoordelijkheid hebt om verkrachting te voorkomen door je zedig te kleden en keurig te gedragen. “Kijken hoever je kunt gaan,” zei mijn huisgenoot net, dat is wat jongens wordt geleerd dat seks is.

Voor verkrachting is maar één oplossing: mensen leren dat ze niet moeten verkrachten. Dus ja: cursussen voor nieuwkomers over hoe we hier in het westen met vrouwen omgaan, die lijken nodig. Het klopt dat nieuwkomers waarschijnlijk heel andere dingen hebben geleerd over man-vrouwverhoudingen dan wij. Het hierop instellen van educatie en beleid is dringend geboden.

Maar wat ook hoognodig is, is dat we niet langer de ogen sluiten voor ons seksisme in eigen kring. Dat begint bij onze kindertjes (álle kindertjes), die op school meer en betere voorlichting moeten krijgen over seks, genderkwesties en seksualiteit, over grenzen en consent.

Want het heersende idee dat Hullie de barbaarse verkrachters zijn en Wij de grote verlichters is onnoemelijk hypocriet. En het laat nog maar eens zien waar we staan: vrouwenrechten zijn vooral interessant als ze als stokpaardje voor de eigen racistische agenda kunnen worden gebruikt. Het probleem van seksisme in onze samenleving zal hierdoor niet worden opgelost, integendeel. Door de Ander met de vinger te wijzen, kunnen we alleen maar méér de ogen sluiten voor het seksisme dat in de eigen gelederen broeit.

Bye bye BOS

Zaterdag namen we in de Tolhuistuin afscheid van de Boeddhistische Omroep. De afgelopen jaren voelde ik me als Bodhitv-redacteur soms een beetje een charlatan, tussen al die aanhangers van échte boeddhistische stromingen, die écht mediteren bij een heuse sangha. Ik ben vooral een zoekende bewonderaar van jullie, lieve lezers. In het kader van Lang Leve Het Boeddhisme schreef ik deze laatste column.

Ik heb godsdienstwetenschap gestudeerd, en me gespecialiseerd in het boeddhisme. Die ‘religie’ vond ik het meest interessant voor mij persoonlijk, want het leven is moeilijk en wie wil er nu geen bevrijding vinden? Maar een boeddhist, zo zou ik mezelf niet noemen. Toch?

Ik ontmoette laatst mijn opdrachtgever van het Vlaamse Kerknet, en die vroeg of ik dan misschien een niet-praktiserend boeddhist ben. Ja, zeker! Maar dat slaat dan weer nergens op. Hoe kun je boeddhist zijn en niet praktiseren? Want dan bewandel je het achtvoudig pad toch niet? En kun je jezelf toch onmogelijk een boeddhist noemen?

Gewoon waar
Toch hoorde ik mezelf laatst opeens zeggen: “de vier edele waarheden zijn toch ook gewoon wáár?” En toen zei mijn vriend: “Ehm, nee hoor.” Toen dacht ik: ehm, jawel hoor!

Ik dus tegen mijn vriend: “En alle dood en ziekte en terrorisme en natuurrampen en auto-ongelukken en depressie en liefdesverdriet en moord en brand en dode huisdieren dan?”

En hij: “Ja, maar alle liefde en baby’s en vrienden en je rijbewijs halen en een mooi huis hebben en gezond en intelligent zijn en mooie stukken schrijven en op vakantie gaan dan?”

Ik: ja maar dat is allemaal maar tijdelijk!
Hij: al dat lijden is ook allemaal tijdelijk.
Ik: … (moeite dat te geloven).
Hij: ja ik ben gewoon al best zen.

Tja. Ik dus niet.

Dat mensen de vier edele waarheden ook onzin kunnen vinden, was echt een eye opener voor me. Blijk ik dan toch een boeddhist te zijn?

De nihilistische pessimist
Ik had ooit wel, op zoek naar diepgang, een tijdje New Age-achtige dingetjes geprobeerd. Maar na een tijdje was ik zó klaar met dat gezweef dat ik van spiritualiteit niets meer moest hebben. Het boeddhisme vond ik enkel filosofisch interessant en natuurlijk had ik ook allemaal Goede Redenen om niet te mediteren enzo. Waar ik nog wel een analyse aan wil toevoegen: dat ik meer dan een boeddhist nogal een pessimist ben.

Als ik heel eerlijk ben kom ik eigenlijk gewoon niet verder dan de eerste Edele Waarheid: het leven is lijden. Ik heb de neiging om in de boeddhistische valkuil van nihilisme te trappen. En dat terwijl ik het boeddhisme juist vaak tegen die kritiek verdedig, moet uitleggen dat het boeddhisme juist hoopvol is, juist het lijden wil opheffen. Oeps, was ik dat bijna zelf even compleet vergeten.

Dust yourself off and try again
Maar sinds kort voel ik een nieuwe behoefte aan spirituele diepgang. Door het besef dat ik eigenlijk gewoon een ouwe zwartkijker ben, zie ik opeens de andere drie waarheden weer helder. Dat er dus wel degelijk een weg uit het lijden is en dat ik die weg ook kan gaan. Ook sprak ik de afgelopen weken allemaal heel inspirerende boeddhisten en gisteravond nog kreeg ik bij yoga opeens een lesje mediteren voor dummies. Je zou bijna denken dat het Universum me iets probeert te vertellen, de spirituele draad weer oppakken enzo, maar aan dat soort New Age-ideeën deed ik dus niet meer!

Tom Hannes, een van de inspirerende boeddhisten die ik kortgeleden interviewde, zei dat je waardig kunt dansen op een koord boven de leegte. Dansen dus, in plaats van ervoor wegrennen, wat ik veel liever doe. Maar van al dat rennen word je moe.

Ik las laatst The Art of Asking van Amanda Palmer en zij vertelt daarin een parabel over een hond. Die hond zit te piepen en te huilen omdat hij op een spijker is gaan zitten. Dus waarom komt hij niet van die spijker af? Omdat het nog niet genoeg pijn doet. Zo voel ik me nou ook. Ooit kom ik van die spijker af en plant ik mijn billen op het kussen. Ik vermoed dat de pijngrens bijna bereikt is. Aspirant-boeddhist, is dat geen mooie titel voor mij?

The War of Art: sterretjes zien

Was ik weer, jullie favoriete superprofessionele freelancer! Werkend vanuit kantoor en alles. Ik ga even genuanceerd doen en een puntje van kritiek leveren op het mij verder zo behulpzame The War of Art. Komt-ie.

Wat niet zo goed lukt, ondanks de werkelijk succesvolle professionalisering, is het scheiden van werk en privé. En dan bedoel ik niet eens dat ik mijn werk teveel mee naar huis neem. Nee, ik vind het wel prima om ’s avonds thuis nog een interview te doen of in het weekend eens onbekommerd na te denken over de insteek van een nieuw artikel. Het is eerder andersom: ik kan mijn privé niet van mijn werk scheiden.

War of Art-auteur Pressfield zegt: angst en depressie zijn vaak Weerstand in schaapskleren. Denk eraan: jezelf op de rails krijgen = privéleven ≠ werk. Dus ik braaf doorwerken, ook met zorgen, ook met verdriet en hoofdpijn en stress, ook op kutdagen.

De boog kan niet altijd gespannen zijn etc
Maar opeens begint dat z’n tol te eisen. Ik voel me overwerkt en ik werk niet eens zo hard. Maar ik sta wel altijd op scherp. Pressfield zegt ergens in een sidenote dat een professional ook moet ontspannen en dat hijzelf daarvoor altijd een blokje om gaat. Maar ik hou niet zo van blokjes om en sterretjessterker nog, ik hou überhaupt niet van ontspannen. Na een drukke dag voed ik mijn hersenpan met series en films en kranten en boeken tot ik sterretjes zie. En j’en peux plus.

Nu heb ik een nieuwe ontspanningstechniek gevonden die niet veeleisend is qua tijd (yoga) of qua lichaam (sporten), zelfs niet mentaal (meditatie). Het heet TRE: ‘Tension and Trauma Release Exercises’. De bedenker ervan keek naar kinderen en dieren: als die een stresserende situatie meemaken, gaan ze na afloop trillen om de stress weer kwijt te raken.

Een antilope die net achterna gezeten werd door een tijger, trilt haar stress eruit en is er dan klaar mee. Ze gaat er niet de hele dag bevreesd aan terugdenken en nog weken met een trauma rondlopen. Met TRE ga je die trilling opwekken: even een kwartiertje een potje shaken om de stress kwijt te raken. Bizar, maar het werkt. Het hoofd kan op pauze.

Wwweeeerrrrrrstannnnddddd
Ontspannen voelt voor mij als letting my guard down. Ik vrees dan dat op dat onbewaakte ogenblik al mijn demonen in mijn nek zullen springen. Maar eigenlijk wil ik wel heel graag kunnen ontspannen, en zo zijn we weer terug bij datgene waar The War of Art allemaal om draait: je Weerstand erkennen om te doen wat je eigenlijk het liefst wilt doen, en het dan gewoon fucking gaan doen.

Dus dat is beslist! Ook de Weerstand tegen ontspanning moet eraan geloven. Deze professional is nog altijd een eenmanszaak; zonder man (m/v) geen zaak.

 

Afbeelding: ‘Seeing Stars‘, Jenn and Tony Bot, some rights reserved

Zoek de tien verschillen of: kleine boekjes 2

Kleine boekjes! Zo dun maar zo bol van wijsheid. Ik besprak hier al The War of Art (best een levensveranderd klein boekje, zie ook mijn vlogs). Een tweede boekje dat ik wil aanraden is Het idee m/v van wetenschapsjournalist Asha ten Broeke. Dit boekje zegt eigenlijk: ‘Yo, mannen en vrouwen verschillen niet zoveel van elkaar, hier is een stapel bewijs!’

Dit is bekend: we gaan er met z’n allen vanuit dat mannen en vrouwen fundamenteel van elkaar verschillen. Mannen lossen problemen op, vrouwen willen er liever over praten. Mannen zijn agressief, vrouwen zijn empathisch. Vrouwen zijn van nature zorgend en mannen hebben “vecht-en-win-de-kost-DNA”.

Tot zover niets nieuws. Dit ‘idee m/v’ wordt gestaafd door de evolutionaire psychologie (Darwin!), die stelt: in de oertijd moesten mannen jagen en vrouwen zorgen, en nu zit het in onze genen. Maar volgens Asha ten Broeke is dat idee precies dat: slechts een idee.

Nieuwe inzichten uit de wetenschap
Grote eye openers om ons wereldbeeld eens goed op zijn kop te zetten zijn bijvoorbeeld deze:

– dat het in de oertijd niet per se zo ging als we denken. We weten het basically niet; we waren er niet bij en er is geen bewijs. En ook: wetenschappers zijn ook maar mensen, ze zijn biased, ze zijn kinderen van de tijdsgeest en zien hun eigen denkbeelden graag bevestigd. De 19e eeuw waarin Darwin leefde staat bekend als de Victoriaanse tijd, en zijn idee dat “de vrouw van de man verschilt in mentale aard, hoofdzakelijk door haar grotere tederheid” kunnen we nu ook als typisch Victoriaans herkennen;

– ten tweede dat die veronderstelde oertijdrolverdeling niet hoeft te betekenen dat we het nu nog
steeds zo moeten doen. Hallo vooruitgang!;
dinner
– en dat ten derde m/v-gedrag ook niet in onze genen zit, zo blijkt. Enter de epigenetica, een jonge tak van wetenschap die aantoont dat onze genen zich aanpassen aan hun omgeving. Natuur en cultuur zijn dus in voortdurende wisselwerking met elkaar en het is niet waar dat we voor eeuwig aan de wil van onze onveranderlijke genen onderworpen zijn.

Grote dromen versus het grote gelijk
Dit alles is een fijne onderbouwing van mijn eigen standpunt, namelijk dat mannen en vrouwen niet zoveel van elkaar verschillen en dat we mensen tekort doen door die verschillen almaar in stand te houden en te benadrukken.

En wat ook fijn is: het is een nieuwe impuls voor mijn idealisme, voor grote dromen van gelijkheid. Ik schreef al eerder dat ik soms zo moe word van het eeuwige activisme en de eeuwige backlash, en ik durf ook wel te bekennen dat ik soms redelijk verbitterd ben en de handdoek in de ring wil gooien en ook iedereen die mijn supergoeie mening niet deelt gewoon uit mijn leven wil bannen en lekker een cocon wil spinnen van Het Grote Gelijk en daarin wil gaan wonen.

Een nieuw en veel leuker idee
Maar dat is natuurlijk niet aan de orde en bovendien heb ik nu dit boekje! Sinds ik het las, loop ik rond met een hoofd vol utopieën. Over een wereld zonder hokjes waarin iedereen de grenzen van zijn eigen unieke individualiteit mag opzoeken en uitleven en vieren en koesteren. Een wereld waarin vrouwen niet ‘nu eenmaal’ slecht zijn in wiskunde en waarin ‘een man mag niet huilen’ geen maatschappelijke realiteit bezingt. Een wereld waarin ook mannen thuisblijven bij de baby en vrouwen – oh verschrikkelijk dystopisch toekomstbeeld! – hun oksels niet hoeven te scheren als ze daar geen zin in hebben.

Traditionele rollenpatronen namen opnieuw een vlucht na het verschijnen van Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus in 1992. Ziehier de kracht van ideeën, en voeg meteen maar een nieuw idee in: namelijk dat we allemaal gewoon aardbewoners zijn.

Zelfs als je denkt dat het bullshit is, kun je eens geheel vrijblijvend met dit idee spelen, al was het maar omdat het gewoon zo’n leuk idee is. Mannen en vrouwen uit hun stereotype hokjes halen betekent namelijk VRIJHEID om te zijn wie je bent en te doen wat je kunt. Wie wil dat nou niet? Ik wel!

kleid

 

Afbeelding dinner: origineel door Uppity Rib, some rights reserved
Afbeelding kleid: origineel door liborius, some rights reserved

 

Dit blog werd gepubliceerd op bodhitv.nl

Het orkest, het schoolreisje en de antropoloog

Klassieke muziek saai? Onbekend? Onbemind? Ik zeg: ja, maar toch las ik met veel plezier over het Koninklijk Concertgebouworkest in het boek Stemmen van Judith van der Wel. Een antropologische verkenning van het orkest als organisme, dat openbreekt in veelkleurige individuen die een jaar samen op schoolreisje gaan.

In 2013 bestond het Koninklijk Concertgebouworkest 125 jaar, en daarom ging het op wereldtournee. Dat was nog nooit eerder gedaan door een klassiek orkest. Judith mocht mee om dit unicum vast te leggen. Ze schreef een dik boek in vijf delen, naar de pijlers van het orkest: ritme, snaren, koper, hout en baton (het stokje van de dirigent). Hoewel haar eerste impressie van het orkest “een zwartgeklede massa” was, zag ze na een jaar meelopen “een groep kleurrijke individuen met mooie verhalen”.

Mooie verhalen
Met die mooie verhalen heet Judith de lezer uitnodigend welkom in de rijke wereld van het symfonieorkest. Het resultaat is een boek boordevol muziek, dat ook oog heeft voor de schoolreisje-achtige uitgelatenheid van de muzikanten tijdens de tournee, de vermoeienissen van het Boekrecensie Stemmenmaandenlange reizen, de strakke organisatie achter de schermen en de politieke moeilijkheden in landen die het orkest aandoet.

Zo schrijft ze over de crackverslaafden voor het concertgebouw in São Paulo, en hoe die opeens verdwenen vlak voor het WK. Ze beschrijft de commotie door de aanwezigheid van Jorge Zorreguieta bij het concert en zelfs op de receptie in Argentinië. En in Rusland willen sommige muzikanten protesteren tegen de schending van de homorechten aldaar, maar daar steekt algemeen directeur Jan Raes een stokje voor.

Idealistisch tintje
Ze plaatst het Concertgebouworkest zo vol in de wereld. Verschillende malen wordt het orkest met de maatschappij als geheel vergeleken. De Griekse violist Leonidas Kavakos zegt in het boek dat de wereld meer als een orkest zou moeten functioneren: “In een goed orkest mengen alle persoonlijkheden zich in dat ene organisme, omdat ze zich inspannen voor hetzelfde doel. In de maatschappij gaat het daarentegen om macht, om wie het meeste wint en het voor het zeggen krijgt … Musici moeten naar elkaar luisteren en kijken, ze moeten samen ademen en samen spelen. Dat is precies wat de wereld van nu nodig heeft.”

Dat idealistisch-filosofische tintje is een heel prettige aanvulling: Judith pakt niet alleen de breedte, maar gaat ook de diepte in.

De participerende antropoloog
Stemmen
lijkt vaak verdacht veel op een antropologisch onderzoek. Judith doet aan participerende observatie binnen het orkest als ware het een spannende, onbekende tribe. De tribe bestaat uit een groot aantal nationaliteiten met elk een emigratieverhaal. De leden hebben zenuwslopende audities moeten uitvoeren om bij de tribe te mogen horen.

Er bestaan verschillende groepjes binnen de tribe, zoals de kwajongensachtige types van de kopersectie. Het orkest kent een strikte hiërarchie tussen en binnen de groepjes, evenals tussen de dirigent en het orkest. De leden van het Concertgebouworkest leiden aan typische kwalen als doofheid en muzikantenburn-out. Ze gebruiken speciale rituelen om hun zenuwen te bedwingen en hebben vreemde, gedisciplineerde dagritmes met uren repeteren. Tot slot is het orkest een ware democratie – een recept voor succes, zo blijkt uit de vergelijking met andere orkesten wereldwijd.

Een weergave in 3D
Het orkest is zo een wereld op zich, die Judith in al zijn facetten beschrijft. We leren over de organisatie van een orkest, hoe audities werken, wie waar staat en waarom, maar ook weet Judith gepassioneerd en spannend te schrijven over de levens van componisten, over de akoestiek in verschillende concertzalen en over de invloed van de cultuurbezuinigingen op het orkest. Die driedimensionale beschrijving van een symfonieorkest en de verhalen van de individuen die er deel van uitmaken, maken het boek heel boeiend om te lezen.

Zo is Stemmen niet slechts een boek over een orkest dat repeteert, stemt en speelt, maar geeft het ook een stem aan de verhalen van individuele orkestleden en aan het orkest als actor in de wereld. Judith van der Wel heeft het Koninklijk Concertgebouworkest voor een breed publiek toegankelijk gemaakt: missie geslaagd.

www.judithvanderwel.nl

 

Schrijven is oorlog of: kleine boekjes 1

Heb je ook wilde plannen die altijd mislukken? Al eens geprobeerd een boek te schrijven? Elke ochtend te mediteren? Een bedrijf te starten? Een workshop in elkaar te zetten? Voor mensen zoals ik, die juist níet doen wat ze het liefst willen, las ik het perfecte boek. The War of Art zegt: harnas aan, oogkleppen op, speren slijpen en gáán.

Dit ben ik op een overmoedige dag. Ik sta op, klap mijn laptop open, check mijn e-mail en Facebook. Ik reageer op van alles, bekijk vacatures, betaal rekeningen, schrijf facturen. Ergens tussendoor zet ik thee. Ik laat mijn Facebook en mail openstaan voor als er een nieuw bericht is. Als ik honger krijg pak ik een boterham. Ik schrik me dood als de telefoon gaat (wat willen ze van me ik heb mijn tanden nog niet eens gepoetst!). Rond een uur of drie ben ik het zat om in mijn pyjama te zitten en ga ik douchen. Daarna bedenk ik ad hoc klusjes voor mezelf. Ik pauzeer niet. Dit gaat tot ’s avonds laat door omdat ik vind dat ik niet hard genoeg heb gewerkt. Ik neem me voor om het morgen écht anders aan te pakken.

‘Het moeilijkst van schrijven is om gewoon te gaan zitten en te beginnen,’ zei ik tegen schrijver en stoere punker Henk van Straten. ‘Vooral als er niemand is die zegt dat het moet.’ ‘Dan heb ik een boek voor je,’ zei hij.

The War of Art is een schop onder de kont voor dromers, zelfverloochenaars en klaplopers. In klare taal en korte hoofdstukken laat auteur Steven Pressfield zien wat ons tegenhoudt om te doen wat we echt willen: Resistance (Weerstand).

Eerst de afwas en in therapie
Weerstand wordt door Pressfield als een kracht omschreven, onzichtbaar maar duidelijk voelbaar. Hij lijkt van buitenaf te komen, van mensen, omstandigheden, maar hij komt van binnenuit. Weerstand is war of artverraderlijk: het liegt en bedriegt en heeft altijd wel een argument om je van gedachten te doen veranderen. Soms zijn deze argumenten of rationaliseringen waar, maar dat doet er niet toe. Weerstand wordt gevoed door angst en het wordt nooit minder. Je moet er elke dag tegen vechten.

Een feest van herkenning! Inderdaad, bij alle dingen die ik echt wil, word ik tegengehouden door een grote berg angst, twijfel, chaos, smoesjes en onwil. En daaraan toegeven leidt tot maar al te herkenbare symptomen. Weerstand voelt als ongelukkigheid, het voelt als verveling, als een sluipende miserie, constante rusteloosheid en een schuldgevoel dat me almaar verder afbreekt.

Ik heb bovendien de neiging om te denken dat ik eerst gelukkig of in balans moet zijn, voor ik kan creëren. Ook dat is Weerstand. Weerstand staat altijd klaar met een ‘ja maar’ of ‘nee want’ om ons te weerhouden van doen wat we willen. Hoho, zegt Pressfield: healing = personal life. Personal life ≠ work.

Hitler en andere losers
Weerstand is dus een oersterke negatieve kracht. Een veelzeggend grapje uit het boek om dat te illustreren: Adolf Hitler wilde eigenlijk schilder worden, maar dat mislukte. Het was voor Hitler blijkbaar gemakkelijker om de Tweede Wereldoorlog te starten dan om een leeg doek te confronteren.

Pressfield schroomt niet een kijkje in zijn ziel te geven en vertelt wat zijn Weerstand bij dit eigenste boek was. Namelijk: ‘ik ben een fictieschrijver, ik moet niet aan non-fictie beginnen’, en ‘waarom zou ik andere mensen vertellen wat ze moeten doen, hoe ijdel is dat!’. Weerstand is dus niet iets voor sukkels en mislukkelingen, het is iets waar iedereen mee moet dealen, ook Echte Schrijvers.

Hij koos ervoor om het boek toch te schrijven, want hij wist: hoe meer Weerstand je voelt, hoe groter je wens is om ergens aan te beginnen. Weerstand kan zo als maatstaf dienen.

Stort je in de strijd
Pressfield verklaart Weerstand als evolutionair. Mensen zijn groepsdieren. Met de Oude Grieken werden de moderne tijd en het vrije individu geboren, maar door onze tribale genen weten we nog steeds niet hoe we alléén moeten functioneren. Dat is de paradox: het vrije individu is slechts vrij naar de mate van zijn eigen zelfbeheersing.

Iets creëren is dus een constant gevecht tegen Weerstand. Het is oorlog, en daar moet je je bewust van zijn. Je moet je tot de tanden toe wapenen alvorens op het strijdtoneel te stappen, en vervolgens kun je je verdediging geen moment laten zakken.

Dus hoe bereid je je voor? Pressfield zegt: word een professional. Net alsof je een echte baan zou hebben. Je komt elke dag, je komt op tijd, je overleven hangt ervan af, je overidentificeert je niet met je werk, je beheerst het ambacht. Je vergadert op maandagochtend (met jezelf) en stuurt daarna een takenlijst rond (aan jezelf).

De professional begrijpt uitgestelde beloning, hij is geduldig. Het boek is nog lang niet af, het levert nog niks op en zal misschien nooit iets opleveren, maar hij zet door. Hij creëert orde. Hij demystificeert zijn werk: het is een ambacht, not art, en het ambacht maak je je meester. Hij accepteert geen smoesjes en rationaliseringen. Hij confronteert zijn angst en hij snapt dat hobbels op de weg erbij horen. Tegenwind, onrecht, mislukkingen: hij neemt ze niet persoonlijk, net zoals hij succes niet persoonlijk neemt. Succes is niet het doel: je werk doen is het doel. Een pro durft om hulp te vragen. Hij kent zijn grenzen en huurt een boekhouder in.

The Mother of all Fears
Deel drie van het boek gaat over Inspiratie, de Muze die altijd bij je is, het Zelf. Mij wat te zweverig, maar gelukkig geeft Pressfield een disclaimer: is dit je te wollig, zie het dan als een metafoor. Iedere schrijver kent immers wel die flow die je kan bevangen, waarin de woorden op papier dwarrelen als kwamen ze niet uit jezelf. Als je dat de Bron, de Muze of God wil noemen, mij best.

En na de zweverigheid wist deel drie mij nog in een belangrijk inzicht te bevestigen. Laatst bedacht ik me: ik word hoe ouder hoe banger lijkt het wel, en waar komt die angst toch vandaan? Het moet angst zijn voor mijn eigen kracht, waar ik slechts een vaag vermoeden van heb. Het is de angst om boven mezelf uit te stijgen. Want kan ik dat wel aan? Ben ik wel waardig? En wat blijft er daar beneden achter als ik dat doe, welk leven, welke mensen, welk misschien gekoesterde deel van mezelf?

Pressfield bevestigt dat. Weerstand = angst: angst om te falen, om blut te zijn, om je opleiding weg te gooien, om belachelijk te zijn, om gek te worden. Maar het moederschip van alle angsten is paradoxaal genoeg de angst voor succes.

“I don’t even think about it”
Goed. We kijken de angst dus recht in het gezicht. Zo ziet het einde van een werkdag voor Pressfield eruit: “I power down. It’s three, three-thirty. The office is closed. How many pages have I produced? I don’t care. Are they any good? I don’t even think about it.”

Het enige wat ertoe doet is dat hij het weer gedaan heeft: zitten, schrijven, de Weerstand verslaan. Pro worden is een beslissing die je neemt – geen smoesjes, geen bullshit.

The War of Art is herkenbaar en inspirerend. Je kunt Weerstand verslaan. Goed nieuws! De auteur helpt je op weg door kort en krachtig te schrijven. De hoofdstukken zijn zo beknopt dat Weerstand nauwelijks een kans krijgt. Ook vind ik het heel prettig dat de auteur hij en zij regelmatig afwisselt. Als the pro een zij is, voel ik me direct meer aangesproken. Chapeau voor Pressfield dat hij daar oog voor heeft, niet automatisch kiest voor ‘hij’, en ook niet het gebruik van ‘hij’ als zogenaamd neutraal of handiger persoonlijk voornaamwoord probeert te verantwoorden. Zo vanzelfsprekend eigenlijk, hoera!


Now if you’ll excuse me…
Ik moet, geheel gekleed en met gepoetste tanden, naar het volgende taakje op mijn planning. En ja, ik heb ontbeten, al pauze gehad en mijn Facebook staat uit 🙂

Wij overdrijven niet: hear us roar

Shit is aan in België. Eindelijk is er een dialoog over seksisme en catcalling op gang gekomen. Hoog tijd! En omdat ervaringen van vrouwen met seksuele intimidatie in deze dialoog nog steeds worden afgedaan als ‘gejammer’, voeg ik mijn stem toe aan het tegengeluid.

Yasmine Schillebeeckx schreef op 8 maart (Internationale Vrouwendag) een opiniestuk over street harassment in De Morgen: Mijn naam is niet Hey Sexy. Reacties: begrip en herkenning van veel vrouwen, verontwaardiging bij veel mannen. Yasmine is arrogant, intolerant, zelfmedelijdend, moet zich er ook niet naar kleden, “mag van geluk spreken dat de mannen hier zich niet gedragen zoals de mannen in India”. Ik zou meer voorbeelden kunnen geven, maar van het lezen van al die comments word ik droevig.

Ook twee voldane oudere blanke mannen van De Morgen schreven een reactie, waarin ze basically zeiden dat die Yasmine niet zo moet zeiken. Dixit Marc Didden: “In het algemeen vind ik toch dat in de werelden waar ik mij bevind (en dat zijn er nogal wat), de vrouw an sich niet met minder egards benaderd wordt dan andere menstypes.” Hmm. In het algemeen? Vind ik toch? De vrouw an sich? Menstypes?? Kan het nog duidelijker zijn dat Didden geen idee heeft waar hij het over heeft, in hoeveel ‘werelden’ hij zich blijkbaar ook bevindt?

Dan de eloquente Guido Everaert: “U kunt met zijn allen de boom in met dat soort ‘gendercorrect’ denken, ik ben daar te simpel voor. Het enige wat ik wil doen is aardig en correct zijn.” Amai, aardig en correct ok, maar een keertje luisteren, ho maar. Dus de shit is aan. Wij leggen het nog maar eens een keer uit.

///

Ik schreef al eerder hoe opvallend ik het vind dat mannen vaak op die manier reageren als je vertelt wat je nu weer is overkomen: aanvallend ofwel verdedigend. “Stel je niet aan, zeg er gewoon wat van, lok het dan ook niet uit” versus “ik doe dat nooit!” Onbegrip of hoongelach volgt op verhalen over straatintimidatie en aanverwanten. Vreemd. Waarom denken ze mij te kunnen vertellen of mijn interpretatie van mijn eigen ervaringen wel legitiem is? Ben ik soms te dom om ze goed te begrijpen? Te jong? Te blond? Wat is eigenlijk de reden dat ik totaal niet serieus genomen word?

Voor mij is de maat allang vol. Een paar jaar geleden al. Ik weet niet meer wat er gebeurde, maar het was genoeg. Ik ging me verdiepen in feministisch activisme. Ik las verhalen van vrouwen op EverydaySexism.com, het was een bitter feest van herkenning. Ik herinnerde me ervaringen die ik was vergeten, waarvan ik altijd had gedacht dat ze er nu eenmaal bij hoorden, bij het leven als vrouw. Alsof als meisje geboren zijn nu eenmaal negatieve kantjes heeft, je met een soort vloek opzadelt waar je het maar mee te doen hebt.

Dat denk ik niet langer. Ik heb zelf ook alles van me afgeschreven op EverydaySexism. Mijn verhalen staan tussen die andere 50.000 verhalen. Ze staan daar anoniem, maar het is tijd om ze uit de anonimiteit te halen. Een bloemlezing wil ik het niet noemen, maar hier zijn wat van mijn eigen ervaringen.

///

Ik ben 14. Ik doe met mijn moeder boodschappen in de supermarkt. Een man volgt ons. Zij zegt dat hij haar altijd volgt als ze boodschappen doet. Volgens haar doet hij geen kwaad, hij zegt nooit wat. Ik vind het creepy.

Ik ben 19. Ik ga dansen bij een jamsessie. Een man wil met me dansen, hij schuurt zich tegen me aan. Ik zeg dat ik niet wil. Hij kijkt schalks terug. Ik zeg nog meermaals nee en duw hem van me af. Daarna moet ik hem nog een paar keer hard van me afduwen. Pas dan loopt hij weg, boos.

Ik ben 20 en werk als vrijwillig barvrouw. Ik maak vrolijke praatjes met de mensen aan mijn toog. Het gebeurt zo vaak, zó vaak dat mannen op den duur met me beginnen te flirten en niet stoppen als ik er niet op in ga. Ik begin sterk aan mezelf te twijfelen. Straal ik iets uit? Ben ik te vriendelijk? Te goedlachs? Te naïef? Moet ik veranderen? Hoe? Wat is er mis met mij? Ik hou me voortaan in achter de bar. Met een man alleen hou ik geen vrolijke praatjes meer. Ik verhard.

Ik ben 21. Ik werk als schoonmaker en moet ‘s ochtends vroeg beginnen. Het is een eind fietsen en er is nog niemand op straat. Ik hoor achter me een scooter aankomen. Als de scooter mij inhaalt, slaat de bestuurder me op mijn kont. Naast de schrik doet het door zijn hoge snelheid ook verdomde veel pijn. Ik word nog steeds zenuwachtig als ik op straat ingehaald word.

Ik ben 22. We vieren Nieuwjaar in de kroeg. Iemand die ik als een kennis beschouw, geeft me drie zoenen maar geeft de derde opeens op mijn mond en duwt me daarna hard achteruit, zodat ik val.

Ik ben 23. Het is net uit met mijn lief. Een vriend stelt voor om een roadtripje te gaan maken, ter afleiding. We eindigen bij zijn vader thuis, waar we teveel drinken, dus we blijven slapen. Eenmaal boven wil mijn vriend opeens meer. Hij springt vanuit zijn bed zo bovenop me. Hij is zwaar en dronken, ik ben niet sterk genoeg om hem weg te duwen. Als ik zeg dat ik niet wil, houdt hij gelukkig op. Ik blijf de rest van de nacht bang en voel me verraden.

Ik ben 24. Op een zomerse dag loopt mijn ketting van mijn fiets. Een man vraagt of hij kan helpen: hij woont om de hoek. Ik zeg dat het niet hoeft, hij dringt aan, en ik denk: waarom ook niet. Wat vriendelijk! Samen repareren we mijn fiets, de sfeer is gemoedelijk. Als de ketting gefixt is wassen we binnen onze handen. Hij vraagt of ik nog wat wil drinken. Als we in zijn woonkamer zitten, verandert de sfeer. “Je wil zeker niet méér,” vraagt hij. Ik weet niet of ik hem goed begrijp. Ik zeg nee, en raak in paniek. Ik ken deze man niet, niemand weet dat ik hier ben, heeft hij de deur op slot gedaan? Ik denk: dit is het dan, ik word straks verkracht en het zal mijn eigen schuld zijn. Maar er gebeurt niets, ik sta al snel veilig buiten, hij zegt dat ik altijd nog eens langs mag komen, ik fiets trillend naar huis en vermijd voortaan zijn straat.

Ik ben 25. Ik laat mijn piano stemmen. Als de stemmer arriveert, ben ik in modus van beleefd converseren, koffie aanbieden. De pianostemmer echter vraagt hoe oud ik ben, of ik een vriendje heb. Ik schat hem begin 30. Hij blijft impertinente vragen stellen. Ik voel me onveilig in mijn eigen huis. Ik blijf in beleefde modus, kan er niet uitkomen. Ik ontsnap naar mijn huisgenoten om hulp te vragen, maar ze lachen het weg: je moet er gewoon wat van zeggen. Na het stemmen wil de pianoman meer koffie, hij vertrekt maar niet, ik ben volkomen verlamd en heb geen controle over de situatie. Als hij eindelijk weg is, ben ik nog dagen bang: hij heeft mijn nummer, hij weet waar ik woon.

Ik ben 26. Ik wandel ‘s ochtends naar het toilet in mijn woongemeenschap. De buurjongen/een vriend komt ook net naar buiten. Hij wandelt achter me en bewondert luidop mijn billen in mijn pyjamabroek. Mijn vrienden zeggen: stel je niet aan, dat is toch gewoon een complimentje?

///

Door dit soort ervaringen ben ik klein en bang geworden. Ik begon me conservatiever te kleden, om maar niet op te vallen. Ik vermeed plekken. Ik vermeed mannen. Ik durfde niet meer in het donker alleen over straat. Ik stond ‘s ochtends voor mijn kledingkast te twijfelen: dat leuke rokje? Riskant.

Het gaat nu beter, maar een soort basiswantrouwen blijft. Ik weet: de publieke ruimte is voor mij een plek waar mijn bewegingsvrijheid beperkt is. Ik vind dat doodzonde. Maar ik ben me bewust van de dreiging, van het reële gevaar dat ik kan tegenkomen. Ik ken die dreiging uit ervaring, uit een opeenstapeling van ervaringen die niet gebagatelliseerd kunnen worden en die niet open zijn voor tegenstrijdige interpretaties, niet door mij en zeker niet door anderen. Ik laat me niet zeggen dat ik niet zo moet jammeren door mensen die mijn ervaring totaal niet hebben en nooit zullen hebben. Ik weet: #wijoverdrijvenniet. Wij overdrijven niet.

 

Heb je ervaringen die je wil delen? Dat mag altijd in de comments!

Wil je meer lezen? Lees dan ook de blogs van Yasmine, Inke (+ comments), Annebeth, Amélie, Romina, Jolien, Naomi, Lotte, Liesbeth, Stéphanie, Silke, Marlies en Jeroen.

Of check wijoverdrijvenniet.org

Hoop op de schroothoop

Op een brainstorm met jonge journalisten/boeddhisten kwam iets geweldigs ter sprake: een soort club van hun paard gevallen milieuridders, die niet meer geloven dat het goed komt met de wereld. Mijn hele hoofd lag ervan overhoop. In een week tijd gleed ik van naïeve pieken naar cynische dalen om ergens op de hellingen van de keiharde realiteit te eindigen.

Ooit had ik groene alternatieven voor alles. Ik gebruikte geen cosmetica en schoonmaakmiddelen meer, ik vrijwilligde op idealistische biologische boerderijen, werkte bij een natuurvoedingswinkel en droomde van een strobalenhuis met een waterput ernaast.

Ik weet niet wanneer het cynisme toesloeg. Steeds maar weer hoorde ik dingen als “de politiek moet NU in actie komen anders is het te laat”, en steeds gebeurde er niets. De gedachte dat het nu toch echt wel een keer serieus te laat is, had zich in mijn hoofd genesteld.

Too little too late
Het smelten van de poolkappen en de plastic soep en het kappen van de regenwouden, wat doe je er in hemelsnaam aan? Ik ben vegetariër maar nu wordt voor mijn soja het regenwoud gekapt en bovendien, het is ook hypocriet om wel de zuivelindustrie te blijven sponsoren dus beter word je veganist, en hoe meer je weet hoe duidelijker het wordt: je kunt het gewoon niet goed doen.

Ik doe nog steeds overal het licht uit en probeer mijn afvalproductie te verminderen enzo, maar dat is meer vanuit vage ethische motivatie dan dat ik denk de wereld ermee te zullen redden, zoals ik ooit vol vurige naïviteit wel dacht.

Het is niet leuk te vertoeven in de cynische hoek. Vechten tegen de bierkaai is zwaar, maar alle hoop laten varen is ook gewoon kut. Ik had niet door dat je met een instelling als ‘het is te laat’ heus nog wel iets kunt. Enter het Dark Mountain Project, opgezet door milieuactivisten die niet langer tegen zichzelf wilden liegen: milieucampagnes werken niet, en we gaan de wereld niet redden. De achterliggende gedachte is lichtelijk boeddhistisch: het draait om het accepteren van de situatie zoals die is, hoe vreselijk ook.

De mythe van onze beschaving
Nee, dat Dark Mountain Project zou wel eens echt iets voor mij kunnen zijn. Het project bestaat uit een groep schrijvers en kunstenaars die pessimistisch zijn over de ecologische, sociale en financiële toestand in de wereld. Het project wil antwoorden formuleren op die toestand, hem erkennen in plaats van negeren.

Volgens Dark Mountain is onze beschaving aan het omvallen. Dat komt omdat hij is gebouwd op twee mythes: de mythe van vooruitgang en de mythe van de natuur. “The first tells us that we are destined for greatness; the second tells us that greatness is cost-free.” Dat we überhaupt het woord ‘natuur’ hebben, dm book laat al zien hoe wij mensen buiten en boven de rest van de wereld denken te staan. Het project is een pleidooi tegen ons antropocentrisme (een waardensysteem dat de mens centraal stelt), en voor een ecocentrisch wereldbeeld waarin de natuur centraal staat, met de mens als deel daarvan.

Het Dark Mountain Project zegt dat ons beschavingsverhaal niet meer dan dat is: een verhaal. De kunstenaars willen nieuwe verhalen schrijven, die passen bij deze tijd van ineenstorting. Ze noemen dat: uncivilised art. Met de veranderingskracht van verhalen en beelden willen ze ons wereldbeeld doen verschuiven, “puncture humanity’s sense of self-importance”, zo zegt hun manifest.

Cynisme < realisme
Nu heb ik dit blog een weekje laten liggen, om vervolgens te vervallen in doemdenkerij en nihilisme. De wereld gaat toch naar de klote! was mijn mantra deze week. Maar dat doemdenken is niet echt goed voor mij en past ook niet zo bij me als ik dacht. Wat voor zin heeft het om een sociale (feministische) strijd te voeren als je tegelijkertijd gelooft dat de aardbol ons binnen afzienbare tijd niet meer zal kunnen huisvesten? Het klopt niet. Ik denk ook niet dat het Dark Mountain Project wil zeggen dat we allemaal maar in zwart nihilisme of grenzeloos hedonisme moeten vervallen.

Dark Mountain ziet hoop in zijn acceptatie van de harde werkelijkheid. Hoe? Door ons verhaal te veranderen dus, de betekenis van ons mens-zijn ter discussie te stellen. Door af te rekenen met onze illusies van controle, het meten is weten, de beloftes van groei, vooruitgang en menselijke overwinning. Door uncivilisation: ont-beschaving.

(Schroot)hoop
Een beetje vaag blijft het wel. Het doet me denken aan Occupy Wall Street. Ook daar zag je dat er geen vertrouwen was in politici en grote bedrijven, die waren juist deel van het probleem. Ook daar zag je dat er geen concrete oplossingen waren, maar wel een dialoog, een nieuwe gemeenschappelijkheid, een bewustwordingsproces. Het thema van economische ongelijkheid staat nu ferm op de maatschappelijke agenda. Misschien kan Dark Mountain ook zo’n bewustwording tot stand brengen.

Er is geen hoop in collectief zelfbedrog. Wel in het onder ogen zien van de harde waarheid. Dat is niet cynisch, maar realistisch. De hoop schuilt in het inslaan van nieuwe wegen, in nieuwe collectieven, in samen rouwen om wat verloren is en in bouwen op de ruïnes.

Maar goed, even concreet nu. Als ik mijn afval blijf scheiden, is dat dan louter zelfbedrog? Ik denk het toch niet. Het radicaal accepteren van de realiteit betekent niet dat je niet voort kunt gaan en goed kunt doen.

Foto: Kim Goldberg

Dames en heren: de Expert

Ken je dat, van die mensen die het altijd beter weten? Die je dingen gaan uitleggen die je al wist? Die je nietszeggende adviezen geven zonder te luisteren? Ik noem dit menstype: de Expert. Om mijn ergernis te kanaliseren heb ik de expert eens goed bestudeerd. Een karakterschets!

De expert (m/v) is iemand die overal verstand van heeft. Koken, energie besparen, het huishouden, autorijden, sport, politiek, financiën, plant- en dierverzorging, en al jouw levensissues: de expert heeft er sowieso meer verstand van dan jij. Sommige experts willen hun oneindige kennis graag zoveel mogelijk etaleren door jou de hele dag allemaal leuke feitjes te vertellen. Je moet die expert dan constant bevestigen in zijn expertise van alle mogelijke aardse zaken. En dat is nou precies wat je helemaal niet wil doen.

De expert is ook kritisch. Hij bevraagt alles. Doe je dat altijd zo? Wat zit hierin? Waarom is dat zo? Wat is het verschil tussen deze dingen, ja, nee, ok, ik bedoel het op een manier die jij blijkbaar niet begrijpt. “Mooi weer zeg je? Kun je dat nu wel zeggen? Was het gister niet iets beter weer? En dat wolkje daar? Ok, het is mooi weer. Maar niet zúlk mooi weer.”

Hoewel de expert al die vragen stelt om aan te tonen dat jij nergens verstand van hebt, is het beste antwoord een ongeïnteresseerd “ik weet het niet”. Daarmee laat je zien dat je de kopzorgen van de expert hóógst oninteressant vindt, en speel je de bal meteen terug. De expert kan nu niet anders dan zelf speculeren over het antwoord op zijn vraag, iets wat hij sowieso graag en langdurig doet.

De expert heeft aan een half woord genoeg. Mocht je je geroepen voelen om ook een verhaal te vertellen, halverwege zal de expert al zeggen dat hij je begrepen heeft. Jááá, maar dat is logisch, roept hij. Een ander type expert zal altijd met “Nééé!” reageren. “Ik vind gewoon dat ik meer verdien dan dat.” “Nééé, maar jij verdient absoluut meer dan dat!”. Zo raak je zelfs in discussie als je het totaal wél met elkaar eens bent.

betweter

Misschien het vreselijkst van al: de expert heeft zich de kunst van het adviseren helemaal eigen gemaakt, denkt hij. De oplossing voor jouw probleem is altijd heel simpel. Het advies begint met “Je moet gewoon” en eindigt met iets nietszeggend als “meer voor jezelf opkomen”. De expert ziet altijd razendsnel wat je probleem is en vat het dan handig voor je samen, verpakt als advies. Klaag je dat je baas nooit eens naar je luistert, dan is “Je moet daar gewoon wat van zeggen” precies het non-advies dat de kern van je probleem beschrijft. Joe, bedankt hè.

De expert bedoelt het niet slecht. Het is niet uit wrok of minachting dat hij je niet laat uitpraten. Het is gewoon zo dat zijn geldingsdrang oneindig veel groter is dan zijn gevoel voor sociale correctheid of empathie. De expert heeft vooral een godcomplex, en wat doe je daaraan?

Goed, nu ik toch wel expert blijk te zijn op het gebied van de expert, een advies. De ervaring leert dat er geen enkele manier is om de expert te doen dimmen. Schouders ophalen en niet voeden zei ik al, maar omdat je jezelf onmogelijk helemaal kunt/wil wegcijferen, ga je de expert beter zoveel mogelijk uit de weg. Als iedereen dat doet, kunnen de experts alleen elkáár nog lastigvallen. Een win-winsituatie voor ons mindere goden!