Voor Halbe

Lieve Halbe,

Ik was op je feest man. Het was raar en fijn. Het voelde als een soort surprise party voor een jarige die niet komt opdagen. Ik had steeds het gevoel dat we ergens op zaten te wachten. Maar toen de pijn van jouw afwezigheid even keihard door me heengeraasd was, toen werd het ook fijn. Ik sprak je collega die vertelde dat ze ook op je werk een afscheid hebben georganiseerd, met alle ouders en kindjes. Eén kindje had gezegd: ik ga zo hard voor Halbe zingen dat hij het hoort! Ik sprak Michel die zei dat het het afgelopen jaar zo goed met je ging. Ik sprak je zus en ik zag je ouders, ik knuffelde je broertje en zusje, het deed pijn maar er was vooral veel liefde. KP en Dave en de anderen zongen Bro Hymn van Pennywise voor je, fantastisch.

We can conquer anything together
All of us are bonded forever
If you die I die that’s the way it is

Het meest koester ik mijn herinneringen aan onze tijd in 2009. We hadden elkaar net ontmoet en we deden eigenlijk niets anders dan chillen in jouw minuscule kamertje bij het Groenesteijnpark. Ik voelde me daar op een baarmoederlijke manier veilig en thuis, net als in al je volgende kamers. Vaak waren we van plan een film te kijken ofzo, maar dat kwam er nooit van. We praatten alleen maar. We gingen vaak naar buiten, naar het Groenesteijnpark, het Sterrenbos, het Paterswoldsemeer. Dan gingen we op een omgevallen boom zitten of op een steiger, gewoon een beetje kijken, grappen maken, praten en stil zijn. Alles was doordrongen van betekenis.

Eerst dacht ik dat dit misschien niet zo moeilijk zou zijn: ik had je immers al losgelaten. Maar dat klopt niet. Ik dacht nog heel vaak aan je en wilde je nog van alles zeggen. Nu besef ik dat die vele woorden, die lange brief die ik je had willen schrijven, zijn samen te vatten in een simpel ‘sorry’ en ‘ik hou van je’. En met die woorden hadden we al eerder ruzies beslecht. Ik denk dus dat je het wel wist, dat je die woorden ook onuitgesproken hebt begrepen.

Nu moet ik steeds aan je graf denken. Het was een prachtige plek, echt iets wat jij gewild zou hebben. Er lagen prachtige bloemen bij en je prachtige familie stond eromheen. Ik tuurde maar in die diepte, naar die kist waar jij in scheen te liggen, al niet meer jij, al zolang niet meer jij. Je was al twee weken dood. Ik weet nog steeds niet wat dat betekent. Ik word alleen maar steeds overvallen door de zinloosheid van alles, maar Jon zegt dat de dood juist het leven de moeite waard maakt. Jij zou dat ook vinden, zo leefde je ook, altijd dankbaar. Jullie zullen wel gelijk hebben, stelletje positivo’s.

Ik verzamel nu steeds meer stukjes van jou, van ons. Je ansichtkaartje uit Portugal dat ik plots terugvond, vlak voor ik het nieuws hoorde (ik geloof niet meer in tekens, maar toch). De oorbellen die je voor me meebracht (uit Zuid-Amerika dacht ik, maar toen kenden we elkaar nog niet, hmm). Je mixtape. De dummy die je me gaf om in te schrijven (ik dacht dat ik die net naar de Kringloop had gebracht wegens nooit in geschreven, verdomme. Maar ik vond hem de dag na je begrafenis bij mijn vader thuis. Ik had hem nota bene zelf voor mezelf klaargelegd om mee te nemen naar Antwerpen). Ook heb je in de tijd dat je mijn kamer onderhuurde verfspetters gemaakt op mijn spiegel en een barst in mijn koffietafel, om me elke dag aan jou te herinneren. En om de een of andere reden doen alle gele bloemetjes me aan jou denken, en ben ik blij overal omringd te zijn door narcissen.

Halbe, mijn vriend, mijn broeder en leraar, ik ben je verloren en heb je daarmee ook teruggevonden. Maar ik had liever gehad dat we elkaar niet meer vaak spraken maar dat je wel nog rondliep daar in het noorden, met je deur altijd open, je grote hart en je ogen om in te verdrinken. Het enige wat mij een heel klein beetje troost is dat je bij je familie was toen je zo plotseling ziek werd en stierf, en dat je heel erg geliefd was. Je hebt veel harten geraakt, en veel goeds betekend voor heel veel mensen. Ook voor mij. Je was mijn beste vriend. Ik wil graag de wereld weer meer door jouw ogen zien, met overal wonderen. Love you forever.

 

Naar Antwerpen liften, 2011Naar Antwerpen liften, 2011

 

Bye bye BOS

Zaterdag namen we in de Tolhuistuin afscheid van de Boeddhistische Omroep. De afgelopen jaren voelde ik me als Bodhitv-redacteur soms een beetje een charlatan, tussen al die aanhangers van échte boeddhistische stromingen, die écht mediteren bij een heuse sangha. Ik ben vooral een zoekende bewonderaar van jullie, lieve lezers. In het kader van Lang Leve Het Boeddhisme schreef ik deze laatste column.

Ik heb godsdienstwetenschap gestudeerd, en me gespecialiseerd in het boeddhisme. Die ‘religie’ vond ik het meest interessant voor mij persoonlijk, want het leven is moeilijk en wie wil er nu geen bevrijding vinden? Maar een boeddhist, zo zou ik mezelf niet noemen. Toch?

Ik ontmoette laatst mijn opdrachtgever van het Vlaamse Kerknet, en die vroeg of ik dan misschien een niet-praktiserend boeddhist ben. Ja, zeker! Maar dat slaat dan weer nergens op. Hoe kun je boeddhist zijn en niet praktiseren? Want dan bewandel je het achtvoudig pad toch niet? En kun je jezelf toch onmogelijk een boeddhist noemen?

Gewoon waar
Toch hoorde ik mezelf laatst opeens zeggen: “de vier edele waarheden zijn toch ook gewoon wáár?” En toen zei mijn vriend: “Ehm, nee hoor.” Toen dacht ik: ehm, jawel hoor!

Ik dus tegen mijn vriend: “En alle dood en ziekte en terrorisme en natuurrampen en auto-ongelukken en depressie en liefdesverdriet en moord en brand en dode huisdieren dan?”

En hij: “Ja, maar alle liefde en baby’s en vrienden en je rijbewijs halen en een mooi huis hebben en gezond en intelligent zijn en mooie stukken schrijven en op vakantie gaan dan?”

Ik: ja maar dat is allemaal maar tijdelijk!
Hij: al dat lijden is ook allemaal tijdelijk.
Ik: … (moeite dat te geloven).
Hij: ja ik ben gewoon al best zen.

Tja. Ik dus niet.

Dat mensen de vier edele waarheden ook onzin kunnen vinden, was echt een eye opener voor me. Blijk ik dan toch een boeddhist te zijn?

De nihilistische pessimist
Ik had ooit wel, op zoek naar diepgang, een tijdje New Age-achtige dingetjes geprobeerd. Maar na een tijdje was ik zó klaar met dat gezweef dat ik van spiritualiteit niets meer moest hebben. Het boeddhisme vond ik enkel filosofisch interessant en natuurlijk had ik ook allemaal Goede Redenen om niet te mediteren enzo. Waar ik nog wel een analyse aan wil toevoegen: dat ik meer dan een boeddhist nogal een pessimist ben.

Als ik heel eerlijk ben kom ik eigenlijk gewoon niet verder dan de eerste Edele Waarheid: het leven is lijden. Ik heb de neiging om in de boeddhistische valkuil van nihilisme te trappen. En dat terwijl ik het boeddhisme juist vaak tegen die kritiek verdedig, moet uitleggen dat het boeddhisme juist hoopvol is, juist het lijden wil opheffen. Oeps, was ik dat bijna zelf even compleet vergeten.

Dust yourself off and try again
Maar sinds kort voel ik een nieuwe behoefte aan spirituele diepgang. Door het besef dat ik eigenlijk gewoon een ouwe zwartkijker ben, zie ik opeens de andere drie waarheden weer helder. Dat er dus wel degelijk een weg uit het lijden is en dat ik die weg ook kan gaan. Ook sprak ik de afgelopen weken allemaal heel inspirerende boeddhisten en gisteravond nog kreeg ik bij yoga opeens een lesje mediteren voor dummies. Je zou bijna denken dat het Universum me iets probeert te vertellen, de spirituele draad weer oppakken enzo, maar aan dat soort New Age-ideeën deed ik dus niet meer!

Tom Hannes, een van de inspirerende boeddhisten die ik kortgeleden interviewde, zei dat je waardig kunt dansen op een koord boven de leegte. Dansen dus, in plaats van ervoor wegrennen, wat ik veel liever doe. Maar van al dat rennen word je moe.

Ik las laatst The Art of Asking van Amanda Palmer en zij vertelt daarin een parabel over een hond. Die hond zit te piepen en te huilen omdat hij op een spijker is gaan zitten. Dus waarom komt hij niet van die spijker af? Omdat het nog niet genoeg pijn doet. Zo voel ik me nou ook. Ooit kom ik van die spijker af en plant ik mijn billen op het kussen. Ik vermoed dat de pijngrens bijna bereikt is. Aspirant-boeddhist, is dat geen mooie titel voor mij?

The War of Art: sterretjes zien

Was ik weer, jullie favoriete superprofessionele freelancer! Werkend vanuit kantoor en alles. Ik ga even genuanceerd doen en een puntje van kritiek leveren op het mij verder zo behulpzame The War of Art. Komt-ie.

Wat niet zo goed lukt, ondanks de werkelijk succesvolle professionalisering, is het scheiden van werk en privé. En dan bedoel ik niet eens dat ik mijn werk teveel mee naar huis neem. Nee, ik vind het wel prima om ’s avonds thuis nog een interview te doen of in het weekend eens onbekommerd na te denken over de insteek van een nieuw artikel. Het is eerder andersom: ik kan mijn privé niet van mijn werk scheiden.

War of Art-auteur Pressfield zegt: angst en depressie zijn vaak Weerstand in schaapskleren. Denk eraan: jezelf op de rails krijgen = privéleven ≠ werk. Dus ik braaf doorwerken, ook met zorgen, ook met verdriet en hoofdpijn en stress, ook op kutdagen.

De boog kan niet altijd gespannen zijn etc
Maar opeens begint dat z’n tol te eisen. Ik voel me overwerkt en ik werk niet eens zo hard. Maar ik sta wel altijd op scherp. Pressfield zegt ergens in een sidenote dat een professional ook moet ontspannen en dat hijzelf daarvoor altijd een blokje om gaat. Maar ik hou niet zo van blokjes om en sterretjessterker nog, ik hou überhaupt niet van ontspannen. Na een drukke dag voed ik mijn hersenpan met series en films en kranten en boeken tot ik sterretjes zie. En j’en peux plus.

Nu heb ik een nieuwe ontspanningstechniek gevonden die niet veeleisend is qua tijd (yoga) of qua lichaam (sporten), zelfs niet mentaal (meditatie). Het heet TRE: ‘Tension and Trauma Release Exercises’. De bedenker ervan keek naar kinderen en dieren: als die een stresserende situatie meemaken, gaan ze na afloop trillen om de stress weer kwijt te raken.

Een antilope die net achterna gezeten werd door een tijger, trilt haar stress eruit en is er dan klaar mee. Ze gaat er niet de hele dag bevreesd aan terugdenken en nog weken met een trauma rondlopen. Met TRE ga je die trilling opwekken: even een kwartiertje een potje shaken om de stress kwijt te raken. Bizar, maar het werkt. Het hoofd kan op pauze.

Wwweeeerrrrrrstannnnddddd
Ontspannen voelt voor mij als letting my guard down. Ik vrees dan dat op dat onbewaakte ogenblik al mijn demonen in mijn nek zullen springen. Maar eigenlijk wil ik wel heel graag kunnen ontspannen, en zo zijn we weer terug bij datgene waar The War of Art allemaal om draait: je Weerstand erkennen om te doen wat je eigenlijk het liefst wilt doen, en het dan gewoon fucking gaan doen.

Dus dat is beslist! Ook de Weerstand tegen ontspanning moet eraan geloven. Deze professional is nog altijd een eenmanszaak; zonder man (m/v) geen zaak.

 

Afbeelding: ‘Seeing Stars‘, Jenn and Tony Bot, some rights reserved

Wij overdrijven niet: hear us roar

Shit is aan in België. Eindelijk is er een dialoog over seksisme en catcalling op gang gekomen. Hoog tijd! En omdat ervaringen van vrouwen met seksuele intimidatie in deze dialoog nog steeds worden afgedaan als ‘gejammer’, voeg ik mijn stem toe aan het tegengeluid.

Yasmine Schillebeeckx schreef op 8 maart (Internationale Vrouwendag) een opiniestuk over street harassment in De Morgen: Mijn naam is niet Hey Sexy. Reacties: begrip en herkenning van veel vrouwen, verontwaardiging bij veel mannen. Yasmine is arrogant, intolerant, zelfmedelijdend, moet zich er ook niet naar kleden, “mag van geluk spreken dat de mannen hier zich niet gedragen zoals de mannen in India”. Ik zou meer voorbeelden kunnen geven, maar van het lezen van al die comments word ik droevig.

Ook twee voldane oudere blanke mannen van De Morgen schreven een reactie, waarin ze basically zeiden dat die Yasmine niet zo moet zeiken. Dixit Marc Didden: “In het algemeen vind ik toch dat in de werelden waar ik mij bevind (en dat zijn er nogal wat), de vrouw an sich niet met minder egards benaderd wordt dan andere menstypes.” Hmm. In het algemeen? Vind ik toch? De vrouw an sich? Menstypes?? Kan het nog duidelijker zijn dat Didden geen idee heeft waar hij het over heeft, in hoeveel ‘werelden’ hij zich blijkbaar ook bevindt?

Dan de eloquente Guido Everaert: “U kunt met zijn allen de boom in met dat soort ‘gendercorrect’ denken, ik ben daar te simpel voor. Het enige wat ik wil doen is aardig en correct zijn.” Amai, aardig en correct ok, maar een keertje luisteren, ho maar. Dus de shit is aan. Wij leggen het nog maar eens een keer uit.

///

Ik schreef al eerder hoe opvallend ik het vind dat mannen vaak op die manier reageren als je vertelt wat je nu weer is overkomen: aanvallend ofwel verdedigend. “Stel je niet aan, zeg er gewoon wat van, lok het dan ook niet uit” versus “ik doe dat nooit!” Onbegrip of hoongelach volgt op verhalen over straatintimidatie en aanverwanten. Vreemd. Waarom denken ze mij te kunnen vertellen of mijn interpretatie van mijn eigen ervaringen wel legitiem is? Ben ik soms te dom om ze goed te begrijpen? Te jong? Te blond? Wat is eigenlijk de reden dat ik totaal niet serieus genomen word?

Voor mij is de maat allang vol. Een paar jaar geleden al. Ik weet niet meer wat er gebeurde, maar het was genoeg. Ik ging me verdiepen in feministisch activisme. Ik las verhalen van vrouwen op EverydaySexism.com, het was een bitter feest van herkenning. Ik herinnerde me ervaringen die ik was vergeten, waarvan ik altijd had gedacht dat ze er nu eenmaal bij hoorden, bij het leven als vrouw. Alsof als meisje geboren zijn nu eenmaal negatieve kantjes heeft, je met een soort vloek opzadelt waar je het maar mee te doen hebt.

Dat denk ik niet langer. Ik heb zelf ook alles van me afgeschreven op EverydaySexism. Mijn verhalen staan tussen die andere 50.000 verhalen. Ze staan daar anoniem, maar het is tijd om ze uit de anonimiteit te halen. Een bloemlezing wil ik het niet noemen, maar hier zijn wat van mijn eigen ervaringen.

///

Ik ben 14. Ik doe met mijn moeder boodschappen in de supermarkt. Een man volgt ons. Zij zegt dat hij haar altijd volgt als ze boodschappen doet. Volgens haar doet hij geen kwaad, hij zegt nooit wat. Ik vind het creepy.

Ik ben 19. Ik ga dansen bij een jamsessie. Een man wil met me dansen, hij schuurt zich tegen me aan. Ik zeg dat ik niet wil. Hij kijkt schalks terug. Ik zeg nog meermaals nee en duw hem van me af. Daarna moet ik hem nog een paar keer hard van me afduwen. Pas dan loopt hij weg, boos.

Ik ben 20 en werk als vrijwillig barvrouw. Ik maak vrolijke praatjes met de mensen aan mijn toog. Het gebeurt zo vaak, zó vaak dat mannen op den duur met me beginnen te flirten en niet stoppen als ik er niet op in ga. Ik begin sterk aan mezelf te twijfelen. Straal ik iets uit? Ben ik te vriendelijk? Te goedlachs? Te naïef? Moet ik veranderen? Hoe? Wat is er mis met mij? Ik hou me voortaan in achter de bar. Met een man alleen hou ik geen vrolijke praatjes meer. Ik verhard.

Ik ben 21. Ik werk als schoonmaker en moet ‘s ochtends vroeg beginnen. Het is een eind fietsen en er is nog niemand op straat. Ik hoor achter me een scooter aankomen. Als de scooter mij inhaalt, slaat de bestuurder me op mijn kont. Naast de schrik doet het door zijn hoge snelheid ook verdomde veel pijn. Ik word nog steeds zenuwachtig als ik op straat ingehaald word.

Ik ben 22. We vieren Nieuwjaar in de kroeg. Iemand die ik als een kennis beschouw, geeft me drie zoenen maar geeft de derde opeens op mijn mond en duwt me daarna hard achteruit, zodat ik val.

Ik ben 23. Het is net uit met mijn lief. Een vriend stelt voor om een roadtripje te gaan maken, ter afleiding. We eindigen bij zijn vader thuis, waar we teveel drinken, dus we blijven slapen. Eenmaal boven wil mijn vriend opeens meer. Hij springt vanuit zijn bed zo bovenop me. Hij is zwaar en dronken, ik ben niet sterk genoeg om hem weg te duwen. Als ik zeg dat ik niet wil, houdt hij gelukkig op. Ik blijf de rest van de nacht bang en voel me verraden.

Ik ben 24. Op een zomerse dag loopt mijn ketting van mijn fiets. Een man vraagt of hij kan helpen: hij woont om de hoek. Ik zeg dat het niet hoeft, hij dringt aan, en ik denk: waarom ook niet. Wat vriendelijk! Samen repareren we mijn fiets, de sfeer is gemoedelijk. Als de ketting gefixt is wassen we binnen onze handen. Hij vraagt of ik nog wat wil drinken. Als we in zijn woonkamer zitten, verandert de sfeer. “Je wil zeker niet méér,” vraagt hij. Ik weet niet of ik hem goed begrijp. Ik zeg nee, en raak in paniek. Ik ken deze man niet, niemand weet dat ik hier ben, heeft hij de deur op slot gedaan? Ik denk: dit is het dan, ik word straks verkracht en het zal mijn eigen schuld zijn. Maar er gebeurt niets, ik sta al snel veilig buiten, hij zegt dat ik altijd nog eens langs mag komen, ik fiets trillend naar huis en vermijd voortaan zijn straat.

Ik ben 25. Ik laat mijn piano stemmen. Als de stemmer arriveert, ben ik in modus van beleefd converseren, koffie aanbieden. De pianostemmer echter vraagt hoe oud ik ben, of ik een vriendje heb. Ik schat hem begin 30. Hij blijft impertinente vragen stellen. Ik voel me onveilig in mijn eigen huis. Ik blijf in beleefde modus, kan er niet uitkomen. Ik ontsnap naar mijn huisgenoten om hulp te vragen, maar ze lachen het weg: je moet er gewoon wat van zeggen. Na het stemmen wil de pianoman meer koffie, hij vertrekt maar niet, ik ben volkomen verlamd en heb geen controle over de situatie. Als hij eindelijk weg is, ben ik nog dagen bang: hij heeft mijn nummer, hij weet waar ik woon.

Ik ben 26. Ik wandel ‘s ochtends naar het toilet in mijn woongemeenschap. De buurjongen/een vriend komt ook net naar buiten. Hij wandelt achter me en bewondert luidop mijn billen in mijn pyjamabroek. Mijn vrienden zeggen: stel je niet aan, dat is toch gewoon een complimentje?

///

Door dit soort ervaringen ben ik klein en bang geworden. Ik begon me conservatiever te kleden, om maar niet op te vallen. Ik vermeed plekken. Ik vermeed mannen. Ik durfde niet meer in het donker alleen over straat. Ik stond ‘s ochtends voor mijn kledingkast te twijfelen: dat leuke rokje? Riskant.

Het gaat nu beter, maar een soort basiswantrouwen blijft. Ik weet: de publieke ruimte is voor mij een plek waar mijn bewegingsvrijheid beperkt is. Ik vind dat doodzonde. Maar ik ben me bewust van de dreiging, van het reële gevaar dat ik kan tegenkomen. Ik ken die dreiging uit ervaring, uit een opeenstapeling van ervaringen die niet gebagatelliseerd kunnen worden en die niet open zijn voor tegenstrijdige interpretaties, niet door mij en zeker niet door anderen. Ik laat me niet zeggen dat ik niet zo moet jammeren door mensen die mijn ervaring totaal niet hebben en nooit zullen hebben. Ik weet: #wijoverdrijvenniet. Wij overdrijven niet.

 

Heb je ervaringen die je wil delen? Dat mag altijd in de comments!

Wil je meer lezen? Lees dan ook de blogs van Yasmine, Inke (+ comments), Annebeth, Amélie, Romina, Jolien, Naomi, Lotte, Liesbeth, Stéphanie, Silke, Marlies en Jeroen.

Of check wijoverdrijvenniet.org

Hoop op de schroothoop

Op een brainstorm met jonge journalisten/boeddhisten kwam iets geweldigs ter sprake: een soort club van hun paard gevallen milieuridders, die niet meer geloven dat het goed komt met de wereld. Mijn hele hoofd lag ervan overhoop. In een week tijd gleed ik van naïeve pieken naar cynische dalen om ergens op de hellingen van de keiharde realiteit te eindigen.

Ooit had ik groene alternatieven voor alles. Ik gebruikte geen cosmetica en schoonmaakmiddelen meer, ik vrijwilligde op idealistische biologische boerderijen, werkte bij een natuurvoedingswinkel en droomde van een strobalenhuis met een waterput ernaast.

Ik weet niet wanneer het cynisme toesloeg. Steeds maar weer hoorde ik dingen als “de politiek moet NU in actie komen anders is het te laat”, en steeds gebeurde er niets. De gedachte dat het nu toch echt wel een keer serieus te laat is, had zich in mijn hoofd genesteld.

Too little too late
Het smelten van de poolkappen en de plastic soep en het kappen van de regenwouden, wat doe je er in hemelsnaam aan? Ik ben vegetariër maar nu wordt voor mijn soja het regenwoud gekapt en bovendien, het is ook hypocriet om wel de zuivelindustrie te blijven sponsoren dus beter word je veganist, en hoe meer je weet hoe duidelijker het wordt: je kunt het gewoon niet goed doen.

Ik doe nog steeds overal het licht uit en probeer mijn afvalproductie te verminderen enzo, maar dat is meer vanuit vage ethische motivatie dan dat ik denk de wereld ermee te zullen redden, zoals ik ooit vol vurige naïviteit wel dacht.

Het is niet leuk te vertoeven in de cynische hoek. Vechten tegen de bierkaai is zwaar, maar alle hoop laten varen is ook gewoon kut. Ik had niet door dat je met een instelling als ‘het is te laat’ heus nog wel iets kunt. Enter het Dark Mountain Project, opgezet door milieuactivisten die niet langer tegen zichzelf wilden liegen: milieucampagnes werken niet, en we gaan de wereld niet redden. De achterliggende gedachte is lichtelijk boeddhistisch: het draait om het accepteren van de situatie zoals die is, hoe vreselijk ook.

De mythe van onze beschaving
Nee, dat Dark Mountain Project zou wel eens echt iets voor mij kunnen zijn. Het project bestaat uit een groep schrijvers en kunstenaars die pessimistisch zijn over de ecologische, sociale en financiële toestand in de wereld. Het project wil antwoorden formuleren op die toestand, hem erkennen in plaats van negeren.

Volgens Dark Mountain is onze beschaving aan het omvallen. Dat komt omdat hij is gebouwd op twee mythes: de mythe van vooruitgang en de mythe van de natuur. “The first tells us that we are destined for greatness; the second tells us that greatness is cost-free.” Dat we überhaupt het woord ‘natuur’ hebben, dm book laat al zien hoe wij mensen buiten en boven de rest van de wereld denken te staan. Het project is een pleidooi tegen ons antropocentrisme (een waardensysteem dat de mens centraal stelt), en voor een ecocentrisch wereldbeeld waarin de natuur centraal staat, met de mens als deel daarvan.

Het Dark Mountain Project zegt dat ons beschavingsverhaal niet meer dan dat is: een verhaal. De kunstenaars willen nieuwe verhalen schrijven, die passen bij deze tijd van ineenstorting. Ze noemen dat: uncivilised art. Met de veranderingskracht van verhalen en beelden willen ze ons wereldbeeld doen verschuiven, “puncture humanity’s sense of self-importance”, zo zegt hun manifest.

Cynisme < realisme
Nu heb ik dit blog een weekje laten liggen, om vervolgens te vervallen in doemdenkerij en nihilisme. De wereld gaat toch naar de klote! was mijn mantra deze week. Maar dat doemdenken is niet echt goed voor mij en past ook niet zo bij me als ik dacht. Wat voor zin heeft het om een sociale (feministische) strijd te voeren als je tegelijkertijd gelooft dat de aardbol ons binnen afzienbare tijd niet meer zal kunnen huisvesten? Het klopt niet. Ik denk ook niet dat het Dark Mountain Project wil zeggen dat we allemaal maar in zwart nihilisme of grenzeloos hedonisme moeten vervallen.

Dark Mountain ziet hoop in zijn acceptatie van de harde werkelijkheid. Hoe? Door ons verhaal te veranderen dus, de betekenis van ons mens-zijn ter discussie te stellen. Door af te rekenen met onze illusies van controle, het meten is weten, de beloftes van groei, vooruitgang en menselijke overwinning. Door uncivilisation: ont-beschaving.

(Schroot)hoop
Een beetje vaag blijft het wel. Het doet me denken aan Occupy Wall Street. Ook daar zag je dat er geen vertrouwen was in politici en grote bedrijven, die waren juist deel van het probleem. Ook daar zag je dat er geen concrete oplossingen waren, maar wel een dialoog, een nieuwe gemeenschappelijkheid, een bewustwordingsproces. Het thema van economische ongelijkheid staat nu ferm op de maatschappelijke agenda. Misschien kan Dark Mountain ook zo’n bewustwording tot stand brengen.

Er is geen hoop in collectief zelfbedrog. Wel in het onder ogen zien van de harde waarheid. Dat is niet cynisch, maar realistisch. De hoop schuilt in het inslaan van nieuwe wegen, in nieuwe collectieven, in samen rouwen om wat verloren is en in bouwen op de ruïnes.

Maar goed, even concreet nu. Als ik mijn afval blijf scheiden, is dat dan louter zelfbedrog? Ik denk het toch niet. Het radicaal accepteren van de realiteit betekent niet dat je niet voort kunt gaan en goed kunt doen.

Foto: Kim Goldberg

Dames en heren: de Expert

Ken je dat, van die mensen die het altijd beter weten? Die je dingen gaan uitleggen die je al wist? Die je nietszeggende adviezen geven zonder te luisteren? Ik noem dit menstype: de Expert. Om mijn ergernis te kanaliseren heb ik de expert eens goed bestudeerd. Een karakterschets!

De expert (m/v) is iemand die overal verstand van heeft. Koken, energie besparen, het huishouden, autorijden, sport, politiek, financiën, plant- en dierverzorging, en al jouw levensissues: de expert heeft er sowieso meer verstand van dan jij. Sommige experts willen hun oneindige kennis graag zoveel mogelijk etaleren door jou de hele dag allemaal leuke feitjes te vertellen. Je moet die expert dan constant bevestigen in zijn expertise van alle mogelijke aardse zaken. En dat is nou precies wat je helemaal niet wil doen.

De expert is ook kritisch. Hij bevraagt alles. Doe je dat altijd zo? Wat zit hierin? Waarom is dat zo? Wat is het verschil tussen deze dingen, ja, nee, ok, ik bedoel het op een manier die jij blijkbaar niet begrijpt. “Mooi weer zeg je? Kun je dat nu wel zeggen? Was het gister niet iets beter weer? En dat wolkje daar? Ok, het is mooi weer. Maar niet zúlk mooi weer.”

Hoewel de expert al die vragen stelt om aan te tonen dat jij nergens verstand van hebt, is het beste antwoord een ongeïnteresseerd “ik weet het niet”. Daarmee laat je zien dat je de kopzorgen van de expert hóógst oninteressant vindt, en speel je de bal meteen terug. De expert kan nu niet anders dan zelf speculeren over het antwoord op zijn vraag, iets wat hij sowieso graag en langdurig doet.

De expert heeft aan een half woord genoeg. Mocht je je geroepen voelen om ook een verhaal te vertellen, halverwege zal de expert al zeggen dat hij je begrepen heeft. Jááá, maar dat is logisch, roept hij. Een ander type expert zal altijd met “Nééé!” reageren. “Ik vind gewoon dat ik meer verdien dan dat.” “Nééé, maar jij verdient absoluut meer dan dat!”. Zo raak je zelfs in discussie als je het totaal wél met elkaar eens bent.

betweter

Misschien het vreselijkst van al: de expert heeft zich de kunst van het adviseren helemaal eigen gemaakt, denkt hij. De oplossing voor jouw probleem is altijd heel simpel. Het advies begint met “Je moet gewoon” en eindigt met iets nietszeggend als “meer voor jezelf opkomen”. De expert ziet altijd razendsnel wat je probleem is en vat het dan handig voor je samen, verpakt als advies. Klaag je dat je baas nooit eens naar je luistert, dan is “Je moet daar gewoon wat van zeggen” precies het non-advies dat de kern van je probleem beschrijft. Joe, bedankt hè.

De expert bedoelt het niet slecht. Het is niet uit wrok of minachting dat hij je niet laat uitpraten. Het is gewoon zo dat zijn geldingsdrang oneindig veel groter is dan zijn gevoel voor sociale correctheid of empathie. De expert heeft vooral een godcomplex, en wat doe je daaraan?

Goed, nu ik toch wel expert blijk te zijn op het gebied van de expert, een advies. De ervaring leert dat er geen enkele manier is om de expert te doen dimmen. Schouders ophalen en niet voeden zei ik al, maar omdat je jezelf onmogelijk helemaal kunt/wil wegcijferen, ga je de expert beter zoveel mogelijk uit de weg. Als iedereen dat doet, kunnen de experts alleen elkáár nog lastigvallen. Een win-winsituatie voor ons mindere goden!

#JeSuis… een beetje bescheiden

De nieuwe Charlie Hebdo is al uit, de cover is controversieel doch vredelievend, wereldleiders die zelf een beetje onderdrukking van het vrije woord niet schuwen marcheerden mee in solidariteit.

Ik sta principieel achter het vrije woord. In een land zonder vrijheid van pers en van meningsuiting zou ik dit blog niet eens kunnen typen. Maar ik ben geen Charlie.

Ik heb begrip voor gekwetste gevoelens. En ik bezit die drang niet, om koste wat kost mijn mening te uiten. Daar ben ik te bescheiden voor, maar ook te bang. Ik denk altijd dat mijn mening al honderd keer door anderen is opgeschreven, en beter. En anders denk ik dat mijn mening te radicaal is, en niet goed ontvangen zal worden, en dat ik dan in discussie moet, terwijl ik daar eigenlijk niet onderlegd genoeg voor ben.

Inderdaad: ik ben niet bang voor kalasjnikovs, maar voor gezichtsverlies.

En als het om religie gaat is mijn mening ook niet duidelijk. Als godsdienstwetenschapper vond ik religie altijd een intrigerend verschijnsel, iets dat wij studenten van alle kanten welwillend bekeken, op een theologische manier, op een sociologische manier, op een filosofische manier. Wij leerden met openheid en respect naar andere culturen te kijken. Religie zag ik als inherent goed. Maar zo simpel is het natuurlijk niet.

Dat er ook mensen faliekant tégen religie zijn, weet ik pas sinds ik in feministische kringen verkeer. Want in elke, werkelijk elke religie worden vrouwen onderdrukt (behalve in het sikhisme, schijnt). Ik krijg steeds meer begrip voor die anti-godsdienstigen, ik zie steeds meer religieus-geïnspireerde ideeën die ik veroordeel.

Tegelijkertijd wil ik individuele gelovigen in hun waarde laten. En zéker moslims, want die krijgen al genoeg shit over zich heen. Moskeeën worden gevandaliseerd en Geert Wilders roept polemiserende onzin en Pegida organiseert massaal bezochte marsen tegen de “islamisering van Duitsland” (nu ook in Vlaanderen?). Moslims als onderdrukte minderheid, die hebben juist mijn sympathie.

Maar daarom: ideeën mogen aangevallen worden, mensen niet.

De aanslag op Charlie Hebdo doet mij mij afvragen: sta ik genoeg achter mijn principes? Ben ik niet te laf?

Deze aanslag maakt me strijdvaardig. We moeten laten zien dat het zo godverdomme niet werkt. De heilige huisjes kunnen om; dat móet kunnen. Als ik mij kan emanciperen van mijn stomme angst voor gezichtsverlies, dan hebben die laffe terroristen nog een beetje meer verloren.

De mythe van de blije bijstandstrekker

Pff. Gister weer eens zo’n wanhopige jonge werkloze ontmoet. We praatten en wisten allebei precies waar de ander het over had: afwijzing na afwijzing, geen reden om je bed uit te komen, geen geld voor kleding of vakantie en de toekomst die langzaam uit het zicht verdwijnt.

Mijn gesprekspartner had al een tijd gewerkt, maar moest zijn scriptie nog afmaken. Baan opgezegd, afgestudeerd, daarna kwam hij niet meer aan de bak. Hij heeft nu een tijdelijke klus, en de sociale dienst wil zijn uitkering stopzetten. Voor opnieuw aanvragen geldt een wachttijd van een maand, dus hij bedacht dat hij beter kon stoppen met deze klus. Hoe anders straks de huur betalen?

Ik ben net 28 en heb toch al jaren werkloosheidservaring. Jarenlang heb ik gezocht naar iets wat ik maar niet vond, waar ik geen invloed op leek te kunnen uitoefenen en dat na verloop van tijd een onbereikbaar doel leek: werk. Het gevolg van al die machteloosheid was uiteindelijk complete uitzichtloosheid.

En ik ben niet de enige.

Steekproef: vrienden en kennissen
Een vriend van mij met twee masters en een berg specialistische kennis heeft zijn droombaan bij een grote NGO bemachtigd, maar vrijwillig. Daarvóór was zijn levensplan: een tijdje bijbeunen, tijdje stage lopen voor de werkervaring, dan weer bijbeunen, meer stage lopen, ad infinitum.

Een vriendin werkt als docent en heeft drie minibaantjes op drie verschillende scholen in twee uithoeken van Noord-Nederland. Zij werkt alles bij elkaar meer dan fulltime + zit de halve dag in de bus + is nog bezig met een nieuwe opleiding omdat ze met haar vorige opleiding überhaupt geen werk vond.

Vriend 3 had wel fulltime werk maar met een uitzendcontract. Gevolg: voortdurende stress of de contractjes van drie maanden wel verlengd zouden worden, en constant overwerken om zich maar onmisbaar te maken. Uiteindelijk ging het drie jaar goed, waarna zijn uitzendcontract niet meer verlengd mocht worden. Na een half jaar in de WW en 1000 sollicitatiebrieven werkt hij nu opnieuw bij hetzelfde bedrijf in precies dezelfde constructie. Eeuwige onzekerheid.

Zelf heb ik een jaar gratis gewerkt, voor de werkervaring. Dat was goed en het was fijn om iets nuttigs te doen, maar het was voor die bedrijven natuurlijk vooral erg lucratief en na afloop was er geen baan (zie ook: FNV zwartboek ‘Werken in de bijstand’).

We zijn allemaal bijna 30, maar ons professionele leven staat nog steeds in de startblokken.

Toekomst op stand-by
Als werkloze beland je in een parallel universum. Je begint jezelf te definiëren in termen van vacatureteksten. Je begint je interesses aan te passen aan beschikbare vacatures (veilig verkeer? ja natuurlijk wil ik me daar 40 uur per week mee bezig houden!). Je laat je ambities varen, je zet je leven op stand-by. Je durft niet te verhuizen of op vakantie te gaan. Je bent de hele dag, elke avond en elk weekend bezig met het zoeken van werk.

Een sollicitatiegesprek wordt een reddingsboei, van levensbelang, en wat als je het niet wordt, kun je dat aan? Kun je dan wéér verder gaan, en de dromen vergeten die die nieuwe kans opriep?

Ik heb als door een wonder een freelance baan van 20 uur per week weten binnen te slepen. Dat heeft mijn leven veranderd. De invloed van die twee dagen per week is nog groter dan ik in mijn werkloze wanhoop had kunnen voorzien. Ik leer constant nieuwe dingen, ontmoet mensen, kom op plekken. Ik voel me een nuttige burger, een volwassene. Ik heb een antwoord als mensen vragen wat ik doe (en zoals de werkloze weet: die vraag krijg je om de haverklap). Drie jaar van wegvloeiend zelfvertrouwen haal je niet zomaar in, maar het is groeiende. En tot mijn opluchting is het gevoel van uitzichtloosheid weg. Ik kan niet zeggen dat ik optimistisch ben, maar ergens roept een stemmetje steeds harder: het komt wel goed.

Optie 2: het komt niet goed
Maar dat is niet het einde van het verhaal. Ik denk dat het voor veel jonge mensen helemaal niet goed komt, of dat het voor hen al te laat is, dat de wanhoop het al heeft overgenomen en het zelfvertrouwen weg is. Dat is iets heel ergs.

Mijn vader, 76 jaar oud – alleen basisschool, heeft mij en mijn zusje naar de universiteit gestuurd zodat wij het beter zouden hebben dan hij. Hoge opleiding -> goeie baan. Helaas. Wij blijken de eerste generatie te worden die het niet per se beter gaat krijgen dan hun ouders.

We doe het onszelf natuurlijk ook een beetje aan: we moesten vooral doen wat we leuk vonden en aan zo’n softe alphastudie heb je geen zak. Ik weet het niet hoor. Wij werkloze jongeren zijn journalisten, historici, bedrijfskundigen, juristen, psychologen, office managers, mediawetenschappers, filosofen, advocaten, grafisch vormgevers en architecten. Dat is toch iets waard?

De koppen lezen: de arbeidsmarkt krimpt, zit op slot, moet flexibeler, is ziek, wordt alleen maar krapper. Wat te doen?

Beleid maken
Wat doet de politiek? Bijstandstrekkers culpabiliseren en ze verplicht vrijwilligerswerk laten doen, oh ironie. Er is een wachttijd van een maand voor de bijstand. Je mag pas na een jaar en niet in vakantietijd op vakantie. Je kan gedwongen worden te verhuizen of drie uur per dag te forensen. Je wordt gekort als je er niet representatief uitziet. De WW is ingekort en WW’ers en bijstandstrekkers moeten na een half jaar ál het werk als ‘passend’ accepteren.

Ik snap ook wel dat werkgelegenheid zich niet zomaar laat creëren, en dat je mensen niet moet aanmoedigen de hele dag niks te doen in de bijstand, maar de verantwoordelijkheid van de werkzoekende houdt ergens op als er zo weinig banen zijn en zoveel concurrentie van én werklozen met dertig jaar ervaring én werklozen die gratis moeten werken én van pas afgestudeerden, wat wij ook waren maar inmiddels niet meer zijn. Arbeidsmarkt krap? Werkzoekenden zijn de dupe. Don’t blame us, verdomme.

Lof der Belgen

Dit wilde ik al het hele jaar doen: een lofzang op België, op Antwerpen, op tien mooie maanden van verwondering. Vergeef mij alvast de nostalgische terugkijkersblik, maar hoe romantisch was Antwerpen, en de Schelde, en biertjes op het terras vanaf 10 uur ‘s ochtends, de voetgangerstunnel, de fietspaden van een halve meter breed, het Antwerps!

En elke avond, tot diep in de winter, kwam de ijscokar door de straat. Inclusief melodietje wat ik nooit meer uit mijn hoofd krijg. En dan net op een tijdstip dat alle kindjes al sliepen, zodat ik me af ging vragen wat de ijscoman misschien vanonder zijn toonbank verkocht.

Een van de mooiste dingen in ‘t Stad was de nieuwjaarsdrink. Gratis Bollekes! Gratis frieten! En soep en glühwein en voor iedereen een gratis sjaal. Het begon om 11 uur ‘s ochtends dus iedereen was dronken tegen de noen. Het was prachtig!

Er was ook veel verwarring en onzekerheid. Subtiele verschillen in sociale normen en omgangsvormen die ik niet had verwacht in een stad zo dichtbij Nederland (ik heb al verteld over de onmogelijkheid van ‘gewoon koffie drinken’ met jongens). Zo bleek handen geven niet zo’n in steen gebeitelde regel als bij ons. Vrienden van vrienden ontmoeten vond ik ingewikkeld: met een beetje geluk stelde de wederzijdse vriend je voor, maar vaak ook niet, en er werden vaak geen handen geschud. Vreemd! Wat meer flamboyante mensen geven elkaar een zoen, ook bij de eerste ontmoeting, maar dat was ik niet gewend en ik kon niet goed inschatten of deze persoon van het flamboyantere soort was, dus liet ik het initiatief maar aan de ander over, wat vaak leidde tot complete afwezigheid van het hele kennismakingsritueel. En niet alleen in sociale situaties in eigen kring, ook in meer professionele context raakte ik al snel de draad kwijt. Bij het eerste bezoek aan de studieadviseur gaf ik die een hand en stelde ik me voor, met complete verbijstering als reactie aan de andere kant van het bureau. Daarna wist ik het niet meer. Wat als je mensen gaat interviewen? Wat met de huisarts? Wat met je scriptiebegeleider?

Ook opvallend: hoe je wordt gedwongen je taalgebruik aan te passen omdat mensen je slecht verstaan. Een hyperbewustzijn van je eigen taalgebruik ontwikkelt zich, wat alles een klein beetje vermoeiend maakt. Bovendien: na een tijdje weet je perfect hoe een Belg het zou zeggen, maar uit jouw mond klinkt het stom. Alle toekomende tijden vervoegen met “gaan” (“gaan we gaan”?) en “’t school” en “de zetel” en alle woorden aan elkaar plakken (“denAldi”) en naar jongens verwijzen met “de” (“Alleeja de William kan wel drinken zenne”), dat gaat allemaal vanzelf maar je hoort het jezelf zeggen en hoopt maar dat de Belgen niet door hebben dat je een Belg nadoet.

Om over de on-ver-staan-bare West- en Oost-Vlamingen niet te spreken!

En ja, die onbegrijpelijke politiek (zeven regeringen hebben ze, legde iemand uit, vraag me niet te reproduceren hoe dat in zijn werk gaat), en de gruwelen van het burgemeesterschap van Bart De Wever (aansporen tot meer sociale controle, vooral met betrekking tot mannen met baarden en allochtonen in Porsches), en in de Joodse buurt wonen met het woord HEIDEN op je voorhoofd gestempeld, en al die dingen die ik Nooit zal begrijpen (dienstencheques?!?), en het humeur van winkelmedewerkers (naar de fietsenmaker, zie je ze denken: “GODverdoeme, een klant” (over fietsenmakers gesproken: banden plakken, daar doen ze niet aan. Een nieuwe band erom leggen en 23 euro rekenen, dat wel)), awel, tussen de verwondering door werd ik regelmatig gek van Antwerpen.

Maar als je dan door de stad fietst, tussen de kasseien en trambanen en gaten in het wegdek en eeuwige wegwerkzaamheden door, en over de leien die halverwege in een soort grindpad veranderen omdat daar het renovatiegeld op was, op weg naar de rommelmarkt in Park Spoor Noord, of naar het dak van het MAS, of naar de oever van de Schelde, en onderweg koop je nog even een koffiekoek, en De Morgen, dan is dat toch zo romantisch, ook al blijf je die rare Hollander en durf je niemand een hand te geven, en glimlach je maar vriendelijk naar iedereen, je verwarring verbergend.

Mannenvrienden, een persoonlijk verhaal

Ik zal met de deur in huis vallen en verklaren: ik ben een mannenmens. Naast één of twee goede vriendinnen heb ik altijd vooral mannenvrienden gehad. Tot ik vorig jaar naar Antwerpen verhuisde. Na een tijdje in die spannende nieuwe stad begon het me te dagen dat ik het gezelschap van mannen miste en ging ik op zoek.

Via Couchsurfing (voor de duidelijkheid: een website die niet voor daten bedoeld is, maar voor uitwisseling tussen reizigers en expats in den vreemde) ontmoette ik een interessante man met wie het goed klikte. Geen moment had ik het idee dat hij meer wilde. Tot we vertrokken, hij zijn arm om mijn schouders legde en hij veronderstelde dat we elkaar morgen en overmorgen en alle andere dagen van de week zouden zien. Later, na opheldering van mijn kant, vertelde hij dat hij vaker in deze situatie belandde en dat hij het aan culturele verschillen weet (hij kwam uit Iran). Maar ook daarna bleef hij zich bepaald aanbidderig opstellen.

Er was ook een andere Couchsurfing-man, met wie ik vaag had afgesproken elkaar ergens in de stad te zien tijdens een festival. We ontmoetten elkaar uiteindelijk midden in de nacht, toen ik in de tussentijd een kennis was tegengekomen. Mijn vage afspraak leek hoogst verbaasd dat ik met een ‘andere’ jongen daar was en de rest van de avond werd een soort competitie om mijn aandacht.

Of die andere man die mij na onze koffie-afspraak (die we om praktische redenen hadden gemaakt) nog even wat van de stad liet zien en daarbij steeds zijn arm om mijn schouders legde.

Ik heb een lief, hetgeen met deze mannen niet altijd ter sprake kwam, maar soms ook wel. Dat leek dan geen verschil te maken. Ik heb me vaak afgevraagd welke signalen ik uitzend, dat ik zo vaak dit effect sorteer. Ik flirt niet als ik niet geïnteresseerd ben, maar ik ben aardig en ik lach om leuke grappen en ik luister geïnteresseerd naar interessante verhalen. Moet ik minder aardig doen? Moet ik een ring gaan dragen of mijn relatiestatus aanpassen op Facebook? Moet ik voorafgaand aan elke afspraak eerst expliciet zeggen: dit is trouwens geen date? Dat vind ik echt binnen geen enkele sociale code passen. Moet ik niet meer met mannen afspreken?

Het commentaar op mijn pogingen, van mannen en vrouwen, was negatief. “Iets gaan drinken betekent eigenlijk altijd een date”, en “je moet dat ook niet doen”, en “misschien is dat in jouw kringen normaal maar hier niet”. Een vriendin zei dat er in haar directe omgeving twee vriendengroepen waren, een die uit mannen en een die uit vrouwen bestond. Als er mensen tussen die groepen pendelden, kwamen er geruchten van. Koffie drinken met een man kon alleen als die man zéér bezet was. Of als je die man al jaren kende. Of als hij homo was. Ik vond dat vreemd.

Ik vraag me nog steeds af hoe het zit. Heeft het inderdaad met een verschil in sociale kring te maken? Of is het een cultureel verschil tussen België en Nederland? Of ligt het aan mij? Ben ik naïef om te denken dat dergelijke afspraken in eerste instantie niet romantisch van aard zijn, tenzij er toevallig een vonk mocht overslaan? Ik weet dat er spanning kan zijn in een man-vrouw-vriendschap (en dat dat niet altijd erg hoeft te zijn), maar waarom die spanning vóóronderstellen?

Na een jaar Antwerpen heb ik één vriend gemaakt, die inderdaad een relatie heeft en samenwoont. Niets ten nadele van die vriend, maar ik vind het resultaat van mijn pogingen wat magertjes. Nu ben ik benieuwd: heb jij, beste lezer, andere of soortgelijke ervaringen?

Terug in Nederland hebben mijn huisgenoot en ik net herbevestigd dat we nóóit met elkaar naar bed zouden willen. Wat we wel graag doen is koffie drinken, koken, films kijken en een boek lezen in de zon. Met mijn andere vrienden ga ik kamperen, liften, dansen en wijn drinken, en praten over relaties en opleiding en werk en ouders en plannen en alle andere dagelijkse dingen. Ik verlang nog vaak terug naar Antwerpen en mijn Vlaamse vriendinnen, maar wat heb ik mijn broeders gemist!