De hypocrisie van antiseksisme als racistisch stokpaardje

Hallo Keulen, wtf? Honderd vrouwen aangevallen, aangerand, beroofd en verkracht tijdens oudjaar. Vooral de verdenkingen dat het een geplande aanval zou zijn geweest, zijn zorgwekkend. Wat was het motief dan, vraag je je af. Vrouwen hun plaats wijzen, ze laten merken dat ze niet welkom zijn in de publieke ruimte? Of ontbreekt er een motief, was het gewoon een uiting van diepgaande misogynie of eerder een soort collectieve waanzinnige dronken geilheid?

Het is speculeren en aangezien we nog maar weinig weten van de daders, kunnen we niet veel meer zeggen dan dat deze gebeurtenissen vreselijk schokkend zijn. Maar: ook de reacties erop zijn schrijnend. Want oei, de daders zouden van “Noord-Afrikaanse of Arabische afkomst” zijn. Buitenlanders! Migranten! Vluchtelingen! Koren op de molen van de xenofoben die zich verzetten tegen de komst van vluchtelingen. Ze verkrachten onze dochters immers, zo blijkt maar weer.

Typisch: vrouwen vertellen steeds al over aanranding, bedreiging en verkrachting, en de microagressies waar ze iedere dag mee dealen, maar veel ophef levert dat meestal niet op. Maar nu de schuld aan de Ander kan worden gegeven, is er consternatie alom. Kan het westen eens de hand in eigen boezem steken? We vergeten graag dat de overgrote meerderheid van verkrachtingen plaatsvindt door een bekende – door een oom, een vriend van de familie of een buurman. We vergeten dat rape kits gewoon op de plank blijven liggen en dat er bijna nooit een verkrachter wordt veroordeeld. En daarbij vergeten we voor het gemak ook even dat de meerderheid van de vermoorde vrouwen door hun partner of ex-partner om het leven werden gebracht.

Het seksisme, dat hier door de Ander zo pijnlijk voor het voetlicht wordt gebracht, zit ook nog altijd in onze eigen cultuur ingebakken. Het is alleen meer verscholen, wat het des te moeilijker te bestrijden maakt. Want zijn dit dan geen volkomen ingeburgerde ideeën in onze maatschappij? Dat een meisje dat veel seks heeft een slet is. Dat je een hoer niet kunt verkrachten. Dat mannen altijd seks willen. Dat verkrachting binnen een relatie niet bestaat. Dat je als meisje de verantwoordelijkheid hebt om verkrachting te voorkomen door je zedig te kleden en keurig te gedragen. “Kijken hoever je kunt gaan,” zei mijn huisgenoot net, dat is wat jongens wordt geleerd dat seks is.

Voor verkrachting is maar één oplossing: mensen leren dat ze niet moeten verkrachten. Dus ja: cursussen voor nieuwkomers over hoe we hier in het westen met vrouwen omgaan, die lijken nodig. Het klopt dat nieuwkomers waarschijnlijk heel andere dingen hebben geleerd over man-vrouwverhoudingen dan wij. Het hierop instellen van educatie en beleid is dringend geboden.

Maar wat ook hoognodig is, is dat we niet langer de ogen sluiten voor ons seksisme in eigen kring. Dat begint bij onze kindertjes (álle kindertjes), die op school meer en betere voorlichting moeten krijgen over seks, genderkwesties en seksualiteit, over grenzen en consent.

Want het heersende idee dat Hullie de barbaarse verkrachters zijn en Wij de grote verlichters is onnoemelijk hypocriet. En het laat nog maar eens zien waar we staan: vrouwenrechten zijn vooral interessant als ze als stokpaardje voor de eigen racistische agenda kunnen worden gebruikt. Het probleem van seksisme in onze samenleving zal hierdoor niet worden opgelost, integendeel. Door de Ander met de vinger te wijzen, kunnen we alleen maar méér de ogen sluiten voor het seksisme dat in de eigen gelederen broeit.

Wij overdrijven niet: hear us roar

Shit is aan in België. Eindelijk is er een dialoog over seksisme en catcalling op gang gekomen. Hoog tijd! En omdat ervaringen van vrouwen met seksuele intimidatie in deze dialoog nog steeds worden afgedaan als ‘gejammer’, voeg ik mijn stem toe aan het tegengeluid.

Yasmine Schillebeeckx schreef op 8 maart (Internationale Vrouwendag) een opiniestuk over street harassment in De Morgen: Mijn naam is niet Hey Sexy. Reacties: begrip en herkenning van veel vrouwen, verontwaardiging bij veel mannen. Yasmine is arrogant, intolerant, zelfmedelijdend, moet zich er ook niet naar kleden, “mag van geluk spreken dat de mannen hier zich niet gedragen zoals de mannen in India”. Ik zou meer voorbeelden kunnen geven, maar van het lezen van al die comments word ik droevig.

Ook twee voldane oudere blanke mannen van De Morgen schreven een reactie, waarin ze basically zeiden dat die Yasmine niet zo moet zeiken. Dixit Marc Didden: “In het algemeen vind ik toch dat in de werelden waar ik mij bevind (en dat zijn er nogal wat), de vrouw an sich niet met minder egards benaderd wordt dan andere menstypes.” Hmm. In het algemeen? Vind ik toch? De vrouw an sich? Menstypes?? Kan het nog duidelijker zijn dat Didden geen idee heeft waar hij het over heeft, in hoeveel ‘werelden’ hij zich blijkbaar ook bevindt?

Dan de eloquente Guido Everaert: “U kunt met zijn allen de boom in met dat soort ‘gendercorrect’ denken, ik ben daar te simpel voor. Het enige wat ik wil doen is aardig en correct zijn.” Amai, aardig en correct ok, maar een keertje luisteren, ho maar. Dus de shit is aan. Wij leggen het nog maar eens een keer uit.

///

Ik schreef al eerder hoe opvallend ik het vind dat mannen vaak op die manier reageren als je vertelt wat je nu weer is overkomen: aanvallend ofwel verdedigend. “Stel je niet aan, zeg er gewoon wat van, lok het dan ook niet uit” versus “ik doe dat nooit!” Onbegrip of hoongelach volgt op verhalen over straatintimidatie en aanverwanten. Vreemd. Waarom denken ze mij te kunnen vertellen of mijn interpretatie van mijn eigen ervaringen wel legitiem is? Ben ik soms te dom om ze goed te begrijpen? Te jong? Te blond? Wat is eigenlijk de reden dat ik totaal niet serieus genomen word?

Voor mij is de maat allang vol. Een paar jaar geleden al. Ik weet niet meer wat er gebeurde, maar het was genoeg. Ik ging me verdiepen in feministisch activisme. Ik las verhalen van vrouwen op EverydaySexism.com, het was een bitter feest van herkenning. Ik herinnerde me ervaringen die ik was vergeten, waarvan ik altijd had gedacht dat ze er nu eenmaal bij hoorden, bij het leven als vrouw. Alsof als meisje geboren zijn nu eenmaal negatieve kantjes heeft, je met een soort vloek opzadelt waar je het maar mee te doen hebt.

Dat denk ik niet langer. Ik heb zelf ook alles van me afgeschreven op EverydaySexism. Mijn verhalen staan tussen die andere 50.000 verhalen. Ze staan daar anoniem, maar het is tijd om ze uit de anonimiteit te halen. Een bloemlezing wil ik het niet noemen, maar hier zijn wat van mijn eigen ervaringen.

///

Ik ben 14. Ik doe met mijn moeder boodschappen in de supermarkt. Een man volgt ons. Zij zegt dat hij haar altijd volgt als ze boodschappen doet. Volgens haar doet hij geen kwaad, hij zegt nooit wat. Ik vind het creepy.

Ik ben 19. Ik ga dansen bij een jamsessie. Een man wil met me dansen, hij schuurt zich tegen me aan. Ik zeg dat ik niet wil. Hij kijkt schalks terug. Ik zeg nog meermaals nee en duw hem van me af. Daarna moet ik hem nog een paar keer hard van me afduwen. Pas dan loopt hij weg, boos.

Ik ben 20 en werk als vrijwillig barvrouw. Ik maak vrolijke praatjes met de mensen aan mijn toog. Het gebeurt zo vaak, zó vaak dat mannen op den duur met me beginnen te flirten en niet stoppen als ik er niet op in ga. Ik begin sterk aan mezelf te twijfelen. Straal ik iets uit? Ben ik te vriendelijk? Te goedlachs? Te naïef? Moet ik veranderen? Hoe? Wat is er mis met mij? Ik hou me voortaan in achter de bar. Met een man alleen hou ik geen vrolijke praatjes meer. Ik verhard.

Ik ben 21. Ik werk als schoonmaker en moet ‘s ochtends vroeg beginnen. Het is een eind fietsen en er is nog niemand op straat. Ik hoor achter me een scooter aankomen. Als de scooter mij inhaalt, slaat de bestuurder me op mijn kont. Naast de schrik doet het door zijn hoge snelheid ook verdomde veel pijn. Ik word nog steeds zenuwachtig als ik op straat ingehaald word.

Ik ben 22. We vieren Nieuwjaar in de kroeg. Iemand die ik als een kennis beschouw, geeft me drie zoenen maar geeft de derde opeens op mijn mond en duwt me daarna hard achteruit, zodat ik val.

Ik ben 23. Het is net uit met mijn lief. Een vriend stelt voor om een roadtripje te gaan maken, ter afleiding. We eindigen bij zijn vader thuis, waar we teveel drinken, dus we blijven slapen. Eenmaal boven wil mijn vriend opeens meer. Hij springt vanuit zijn bed zo bovenop me. Hij is zwaar en dronken, ik ben niet sterk genoeg om hem weg te duwen. Als ik zeg dat ik niet wil, houdt hij gelukkig op. Ik blijf de rest van de nacht bang en voel me verraden.

Ik ben 24. Op een zomerse dag loopt mijn ketting van mijn fiets. Een man vraagt of hij kan helpen: hij woont om de hoek. Ik zeg dat het niet hoeft, hij dringt aan, en ik denk: waarom ook niet. Wat vriendelijk! Samen repareren we mijn fiets, de sfeer is gemoedelijk. Als de ketting gefixt is wassen we binnen onze handen. Hij vraagt of ik nog wat wil drinken. Als we in zijn woonkamer zitten, verandert de sfeer. “Je wil zeker niet méér,” vraagt hij. Ik weet niet of ik hem goed begrijp. Ik zeg nee, en raak in paniek. Ik ken deze man niet, niemand weet dat ik hier ben, heeft hij de deur op slot gedaan? Ik denk: dit is het dan, ik word straks verkracht en het zal mijn eigen schuld zijn. Maar er gebeurt niets, ik sta al snel veilig buiten, hij zegt dat ik altijd nog eens langs mag komen, ik fiets trillend naar huis en vermijd voortaan zijn straat.

Ik ben 25. Ik laat mijn piano stemmen. Als de stemmer arriveert, ben ik in modus van beleefd converseren, koffie aanbieden. De pianostemmer echter vraagt hoe oud ik ben, of ik een vriendje heb. Ik schat hem begin 30. Hij blijft impertinente vragen stellen. Ik voel me onveilig in mijn eigen huis. Ik blijf in beleefde modus, kan er niet uitkomen. Ik ontsnap naar mijn huisgenoten om hulp te vragen, maar ze lachen het weg: je moet er gewoon wat van zeggen. Na het stemmen wil de pianoman meer koffie, hij vertrekt maar niet, ik ben volkomen verlamd en heb geen controle over de situatie. Als hij eindelijk weg is, ben ik nog dagen bang: hij heeft mijn nummer, hij weet waar ik woon.

Ik ben 26. Ik wandel ‘s ochtends naar het toilet in mijn woongemeenschap. De buurjongen/een vriend komt ook net naar buiten. Hij wandelt achter me en bewondert luidop mijn billen in mijn pyjamabroek. Mijn vrienden zeggen: stel je niet aan, dat is toch gewoon een complimentje?

///

Door dit soort ervaringen ben ik klein en bang geworden. Ik begon me conservatiever te kleden, om maar niet op te vallen. Ik vermeed plekken. Ik vermeed mannen. Ik durfde niet meer in het donker alleen over straat. Ik stond ‘s ochtends voor mijn kledingkast te twijfelen: dat leuke rokje? Riskant.

Het gaat nu beter, maar een soort basiswantrouwen blijft. Ik weet: de publieke ruimte is voor mij een plek waar mijn bewegingsvrijheid beperkt is. Ik vind dat doodzonde. Maar ik ben me bewust van de dreiging, van het reële gevaar dat ik kan tegenkomen. Ik ken die dreiging uit ervaring, uit een opeenstapeling van ervaringen die niet gebagatelliseerd kunnen worden en die niet open zijn voor tegenstrijdige interpretaties, niet door mij en zeker niet door anderen. Ik laat me niet zeggen dat ik niet zo moet jammeren door mensen die mijn ervaring totaal niet hebben en nooit zullen hebben. Ik weet: #wijoverdrijvenniet. Wij overdrijven niet.

 

Heb je ervaringen die je wil delen? Dat mag altijd in de comments!

Wil je meer lezen? Lees dan ook de blogs van Yasmine, Inke (+ comments), Annebeth, Amélie, Romina, Jolien, Naomi, Lotte, Liesbeth, Stéphanie, Silke, Marlies en Jeroen.

Of check wijoverdrijvenniet.org

Hoop op de schroothoop

Op een brainstorm met jonge journalisten/boeddhisten kwam iets geweldigs ter sprake: een soort club van hun paard gevallen milieuridders, die niet meer geloven dat het goed komt met de wereld. Mijn hele hoofd lag ervan overhoop. In een week tijd gleed ik van naïeve pieken naar cynische dalen om ergens op de hellingen van de keiharde realiteit te eindigen.

Ooit had ik groene alternatieven voor alles. Ik gebruikte geen cosmetica en schoonmaakmiddelen meer, ik vrijwilligde op idealistische biologische boerderijen, werkte bij een natuurvoedingswinkel en droomde van een strobalenhuis met een waterput ernaast.

Ik weet niet wanneer het cynisme toesloeg. Steeds maar weer hoorde ik dingen als “de politiek moet NU in actie komen anders is het te laat”, en steeds gebeurde er niets. De gedachte dat het nu toch echt wel een keer serieus te laat is, had zich in mijn hoofd genesteld.

Too little too late
Het smelten van de poolkappen en de plastic soep en het kappen van de regenwouden, wat doe je er in hemelsnaam aan? Ik ben vegetariër maar nu wordt voor mijn soja het regenwoud gekapt en bovendien, het is ook hypocriet om wel de zuivelindustrie te blijven sponsoren dus beter word je veganist, en hoe meer je weet hoe duidelijker het wordt: je kunt het gewoon niet goed doen.

Ik doe nog steeds overal het licht uit en probeer mijn afvalproductie te verminderen enzo, maar dat is meer vanuit vage ethische motivatie dan dat ik denk de wereld ermee te zullen redden, zoals ik ooit vol vurige naïviteit wel dacht.

Het is niet leuk te vertoeven in de cynische hoek. Vechten tegen de bierkaai is zwaar, maar alle hoop laten varen is ook gewoon kut. Ik had niet door dat je met een instelling als ‘het is te laat’ heus nog wel iets kunt. Enter het Dark Mountain Project, opgezet door milieuactivisten die niet langer tegen zichzelf wilden liegen: milieucampagnes werken niet, en we gaan de wereld niet redden. De achterliggende gedachte is lichtelijk boeddhistisch: het draait om het accepteren van de situatie zoals die is, hoe vreselijk ook.

De mythe van onze beschaving
Nee, dat Dark Mountain Project zou wel eens echt iets voor mij kunnen zijn. Het project bestaat uit een groep schrijvers en kunstenaars die pessimistisch zijn over de ecologische, sociale en financiële toestand in de wereld. Het project wil antwoorden formuleren op die toestand, hem erkennen in plaats van negeren.

Volgens Dark Mountain is onze beschaving aan het omvallen. Dat komt omdat hij is gebouwd op twee mythes: de mythe van vooruitgang en de mythe van de natuur. “The first tells us that we are destined for greatness; the second tells us that greatness is cost-free.” Dat we überhaupt het woord ‘natuur’ hebben, dm book laat al zien hoe wij mensen buiten en boven de rest van de wereld denken te staan. Het project is een pleidooi tegen ons antropocentrisme (een waardensysteem dat de mens centraal stelt), en voor een ecocentrisch wereldbeeld waarin de natuur centraal staat, met de mens als deel daarvan.

Het Dark Mountain Project zegt dat ons beschavingsverhaal niet meer dan dat is: een verhaal. De kunstenaars willen nieuwe verhalen schrijven, die passen bij deze tijd van ineenstorting. Ze noemen dat: uncivilised art. Met de veranderingskracht van verhalen en beelden willen ze ons wereldbeeld doen verschuiven, “puncture humanity’s sense of self-importance”, zo zegt hun manifest.

Cynisme < realisme
Nu heb ik dit blog een weekje laten liggen, om vervolgens te vervallen in doemdenkerij en nihilisme. De wereld gaat toch naar de klote! was mijn mantra deze week. Maar dat doemdenken is niet echt goed voor mij en past ook niet zo bij me als ik dacht. Wat voor zin heeft het om een sociale (feministische) strijd te voeren als je tegelijkertijd gelooft dat de aardbol ons binnen afzienbare tijd niet meer zal kunnen huisvesten? Het klopt niet. Ik denk ook niet dat het Dark Mountain Project wil zeggen dat we allemaal maar in zwart nihilisme of grenzeloos hedonisme moeten vervallen.

Dark Mountain ziet hoop in zijn acceptatie van de harde werkelijkheid. Hoe? Door ons verhaal te veranderen dus, de betekenis van ons mens-zijn ter discussie te stellen. Door af te rekenen met onze illusies van controle, het meten is weten, de beloftes van groei, vooruitgang en menselijke overwinning. Door uncivilisation: ont-beschaving.

(Schroot)hoop
Een beetje vaag blijft het wel. Het doet me denken aan Occupy Wall Street. Ook daar zag je dat er geen vertrouwen was in politici en grote bedrijven, die waren juist deel van het probleem. Ook daar zag je dat er geen concrete oplossingen waren, maar wel een dialoog, een nieuwe gemeenschappelijkheid, een bewustwordingsproces. Het thema van economische ongelijkheid staat nu ferm op de maatschappelijke agenda. Misschien kan Dark Mountain ook zo’n bewustwording tot stand brengen.

Er is geen hoop in collectief zelfbedrog. Wel in het onder ogen zien van de harde waarheid. Dat is niet cynisch, maar realistisch. De hoop schuilt in het inslaan van nieuwe wegen, in nieuwe collectieven, in samen rouwen om wat verloren is en in bouwen op de ruïnes.

Maar goed, even concreet nu. Als ik mijn afval blijf scheiden, is dat dan louter zelfbedrog? Ik denk het toch niet. Het radicaal accepteren van de realiteit betekent niet dat je niet voort kunt gaan en goed kunt doen.

Foto: Kim Goldberg

#JeSuis… een beetje bescheiden

De nieuwe Charlie Hebdo is al uit, de cover is controversieel doch vredelievend, wereldleiders die zelf een beetje onderdrukking van het vrije woord niet schuwen marcheerden mee in solidariteit.

Ik sta principieel achter het vrije woord. In een land zonder vrijheid van pers en van meningsuiting zou ik dit blog niet eens kunnen typen. Maar ik ben geen Charlie.

Ik heb begrip voor gekwetste gevoelens. En ik bezit die drang niet, om koste wat kost mijn mening te uiten. Daar ben ik te bescheiden voor, maar ook te bang. Ik denk altijd dat mijn mening al honderd keer door anderen is opgeschreven, en beter. En anders denk ik dat mijn mening te radicaal is, en niet goed ontvangen zal worden, en dat ik dan in discussie moet, terwijl ik daar eigenlijk niet onderlegd genoeg voor ben.

Inderdaad: ik ben niet bang voor kalasjnikovs, maar voor gezichtsverlies.

En als het om religie gaat is mijn mening ook niet duidelijk. Als godsdienstwetenschapper vond ik religie altijd een intrigerend verschijnsel, iets dat wij studenten van alle kanten welwillend bekeken, op een theologische manier, op een sociologische manier, op een filosofische manier. Wij leerden met openheid en respect naar andere culturen te kijken. Religie zag ik als inherent goed. Maar zo simpel is het natuurlijk niet.

Dat er ook mensen faliekant tégen religie zijn, weet ik pas sinds ik in feministische kringen verkeer. Want in elke, werkelijk elke religie worden vrouwen onderdrukt (behalve in het sikhisme, schijnt). Ik krijg steeds meer begrip voor die anti-godsdienstigen, ik zie steeds meer religieus-geïnspireerde ideeën die ik veroordeel.

Tegelijkertijd wil ik individuele gelovigen in hun waarde laten. En zéker moslims, want die krijgen al genoeg shit over zich heen. Moskeeën worden gevandaliseerd en Geert Wilders roept polemiserende onzin en Pegida organiseert massaal bezochte marsen tegen de “islamisering van Duitsland” (nu ook in Vlaanderen?). Moslims als onderdrukte minderheid, die hebben juist mijn sympathie.

Maar daarom: ideeën mogen aangevallen worden, mensen niet.

De aanslag op Charlie Hebdo doet mij mij afvragen: sta ik genoeg achter mijn principes? Ben ik niet te laf?

Deze aanslag maakt me strijdvaardig. We moeten laten zien dat het zo godverdomme niet werkt. De heilige huisjes kunnen om; dat móet kunnen. Als ik mij kan emanciperen van mijn stomme angst voor gezichtsverlies, dan hebben die laffe terroristen nog een beetje meer verloren.

De mythe van de blije bijstandstrekker

Pff. Gister weer eens zo’n wanhopige jonge werkloze ontmoet. We praatten en wisten allebei precies waar de ander het over had: afwijzing na afwijzing, geen reden om je bed uit te komen, geen geld voor kleding of vakantie en de toekomst die langzaam uit het zicht verdwijnt.

Mijn gesprekspartner had al een tijd gewerkt, maar moest zijn scriptie nog afmaken. Baan opgezegd, afgestudeerd, daarna kwam hij niet meer aan de bak. Hij heeft nu een tijdelijke klus, en de sociale dienst wil zijn uitkering stopzetten. Voor opnieuw aanvragen geldt een wachttijd van een maand, dus hij bedacht dat hij beter kon stoppen met deze klus. Hoe anders straks de huur betalen?

Ik ben net 28 en heb toch al jaren werkloosheidservaring. Jarenlang heb ik gezocht naar iets wat ik maar niet vond, waar ik geen invloed op leek te kunnen uitoefenen en dat na verloop van tijd een onbereikbaar doel leek: werk. Het gevolg van al die machteloosheid was uiteindelijk complete uitzichtloosheid.

En ik ben niet de enige.

Steekproef: vrienden en kennissen
Een vriend van mij met twee masters en een berg specialistische kennis heeft zijn droombaan bij een grote NGO bemachtigd, maar vrijwillig. Daarvóór was zijn levensplan: een tijdje bijbeunen, tijdje stage lopen voor de werkervaring, dan weer bijbeunen, meer stage lopen, ad infinitum.

Een vriendin werkt als docent en heeft drie minibaantjes op drie verschillende scholen in twee uithoeken van Noord-Nederland. Zij werkt alles bij elkaar meer dan fulltime + zit de halve dag in de bus + is nog bezig met een nieuwe opleiding omdat ze met haar vorige opleiding überhaupt geen werk vond.

Vriend 3 had wel fulltime werk maar met een uitzendcontract. Gevolg: voortdurende stress of de contractjes van drie maanden wel verlengd zouden worden, en constant overwerken om zich maar onmisbaar te maken. Uiteindelijk ging het drie jaar goed, waarna zijn uitzendcontract niet meer verlengd mocht worden. Na een half jaar in de WW en 1000 sollicitatiebrieven werkt hij nu opnieuw bij hetzelfde bedrijf in precies dezelfde constructie. Eeuwige onzekerheid.

Zelf heb ik een jaar gratis gewerkt, voor de werkervaring. Dat was goed en het was fijn om iets nuttigs te doen, maar het was voor die bedrijven natuurlijk vooral erg lucratief en na afloop was er geen baan (zie ook: FNV zwartboek ‘Werken in de bijstand’).

We zijn allemaal bijna 30, maar ons professionele leven staat nog steeds in de startblokken.

Toekomst op stand-by
Als werkloze beland je in een parallel universum. Je begint jezelf te definiëren in termen van vacatureteksten. Je begint je interesses aan te passen aan beschikbare vacatures (veilig verkeer? ja natuurlijk wil ik me daar 40 uur per week mee bezig houden!). Je laat je ambities varen, je zet je leven op stand-by. Je durft niet te verhuizen of op vakantie te gaan. Je bent de hele dag, elke avond en elk weekend bezig met het zoeken van werk.

Een sollicitatiegesprek wordt een reddingsboei, van levensbelang, en wat als je het niet wordt, kun je dat aan? Kun je dan wéér verder gaan, en de dromen vergeten die die nieuwe kans opriep?

Ik heb als door een wonder een freelance baan van 20 uur per week weten binnen te slepen. Dat heeft mijn leven veranderd. De invloed van die twee dagen per week is nog groter dan ik in mijn werkloze wanhoop had kunnen voorzien. Ik leer constant nieuwe dingen, ontmoet mensen, kom op plekken. Ik voel me een nuttige burger, een volwassene. Ik heb een antwoord als mensen vragen wat ik doe (en zoals de werkloze weet: die vraag krijg je om de haverklap). Drie jaar van wegvloeiend zelfvertrouwen haal je niet zomaar in, maar het is groeiende. En tot mijn opluchting is het gevoel van uitzichtloosheid weg. Ik kan niet zeggen dat ik optimistisch ben, maar ergens roept een stemmetje steeds harder: het komt wel goed.

Optie 2: het komt niet goed
Maar dat is niet het einde van het verhaal. Ik denk dat het voor veel jonge mensen helemaal niet goed komt, of dat het voor hen al te laat is, dat de wanhoop het al heeft overgenomen en het zelfvertrouwen weg is. Dat is iets heel ergs.

Mijn vader, 76 jaar oud – alleen basisschool, heeft mij en mijn zusje naar de universiteit gestuurd zodat wij het beter zouden hebben dan hij. Hoge opleiding -> goeie baan. Helaas. Wij blijken de eerste generatie te worden die het niet per se beter gaat krijgen dan hun ouders.

We doe het onszelf natuurlijk ook een beetje aan: we moesten vooral doen wat we leuk vonden en aan zo’n softe alphastudie heb je geen zak. Ik weet het niet hoor. Wij werkloze jongeren zijn journalisten, historici, bedrijfskundigen, juristen, psychologen, office managers, mediawetenschappers, filosofen, advocaten, grafisch vormgevers en architecten. Dat is toch iets waard?

De koppen lezen: de arbeidsmarkt krimpt, zit op slot, moet flexibeler, is ziek, wordt alleen maar krapper. Wat te doen?

Beleid maken
Wat doet de politiek? Bijstandstrekkers culpabiliseren en ze verplicht vrijwilligerswerk laten doen, oh ironie. Er is een wachttijd van een maand voor de bijstand. Je mag pas na een jaar en niet in vakantietijd op vakantie. Je kan gedwongen worden te verhuizen of drie uur per dag te forensen. Je wordt gekort als je er niet representatief uitziet. De WW is ingekort en WW’ers en bijstandstrekkers moeten na een half jaar ál het werk als ‘passend’ accepteren.

Ik snap ook wel dat werkgelegenheid zich niet zomaar laat creëren, en dat je mensen niet moet aanmoedigen de hele dag niks te doen in de bijstand, maar de verantwoordelijkheid van de werkzoekende houdt ergens op als er zo weinig banen zijn en zoveel concurrentie van én werklozen met dertig jaar ervaring én werklozen die gratis moeten werken én van pas afgestudeerden, wat wij ook waren maar inmiddels niet meer zijn. Arbeidsmarkt krap? Werkzoekenden zijn de dupe. Don’t blame us, verdomme.