De hypocrisie van antiseksisme als racistisch stokpaardje

Hallo Keulen, wtf? Honderd vrouwen aangevallen, aangerand, beroofd en verkracht tijdens oudjaar. Vooral de verdenkingen dat het een geplande aanval zou zijn geweest, zijn zorgwekkend. Wat was het motief dan, vraag je je af. Vrouwen hun plaats wijzen, ze laten merken dat ze niet welkom zijn in de publieke ruimte? Of ontbreekt er een motief, was het gewoon een uiting van diepgaande misogynie of eerder een soort collectieve waanzinnige dronken geilheid?

Het is speculeren en aangezien we nog maar weinig weten van de daders, kunnen we niet veel meer zeggen dan dat deze gebeurtenissen vreselijk schokkend zijn. Maar: ook de reacties erop zijn schrijnend. Want oei, de daders zouden van “Noord-Afrikaanse of Arabische afkomst” zijn. Buitenlanders! Migranten! Vluchtelingen! Koren op de molen van de xenofoben die zich verzetten tegen de komst van vluchtelingen. Ze verkrachten onze dochters immers, zo blijkt maar weer.

Typisch: vrouwen vertellen steeds al over aanranding, bedreiging en verkrachting, en de microagressies waar ze iedere dag mee dealen, maar veel ophef levert dat meestal niet op. Maar nu de schuld aan de Ander kan worden gegeven, is er consternatie alom. Kan het westen eens de hand in eigen boezem steken? We vergeten graag dat de overgrote meerderheid van verkrachtingen plaatsvindt door een bekende – door een oom, een vriend van de familie of een buurman. We vergeten dat rape kits gewoon op de plank blijven liggen en dat er bijna nooit een verkrachter wordt veroordeeld. En daarbij vergeten we voor het gemak ook even dat de meerderheid van de vermoorde vrouwen door hun partner of ex-partner om het leven werden gebracht.

Het seksisme, dat hier door de Ander zo pijnlijk voor het voetlicht wordt gebracht, zit ook nog altijd in onze eigen cultuur ingebakken. Het is alleen meer verscholen, wat het des te moeilijker te bestrijden maakt. Want zijn dit dan geen volkomen ingeburgerde ideeën in onze maatschappij? Dat een meisje dat veel seks heeft een slet is. Dat je een hoer niet kunt verkrachten. Dat mannen altijd seks willen. Dat verkrachting binnen een relatie niet bestaat. Dat je als meisje de verantwoordelijkheid hebt om verkrachting te voorkomen door je zedig te kleden en keurig te gedragen. “Kijken hoever je kunt gaan,” zei mijn huisgenoot net, dat is wat jongens wordt geleerd dat seks is.

Voor verkrachting is maar één oplossing: mensen leren dat ze niet moeten verkrachten. Dus ja: cursussen voor nieuwkomers over hoe we hier in het westen met vrouwen omgaan, die lijken nodig. Het klopt dat nieuwkomers waarschijnlijk heel andere dingen hebben geleerd over man-vrouwverhoudingen dan wij. Het hierop instellen van educatie en beleid is dringend geboden.

Maar wat ook hoognodig is, is dat we niet langer de ogen sluiten voor ons seksisme in eigen kring. Dat begint bij onze kindertjes (álle kindertjes), die op school meer en betere voorlichting moeten krijgen over seks, genderkwesties en seksualiteit, over grenzen en consent.

Want het heersende idee dat Hullie de barbaarse verkrachters zijn en Wij de grote verlichters is onnoemelijk hypocriet. En het laat nog maar eens zien waar we staan: vrouwenrechten zijn vooral interessant als ze als stokpaardje voor de eigen racistische agenda kunnen worden gebruikt. Het probleem van seksisme in onze samenleving zal hierdoor niet worden opgelost, integendeel. Door de Ander met de vinger te wijzen, kunnen we alleen maar méér de ogen sluiten voor het seksisme dat in de eigen gelederen broeit.

Het orkest, het schoolreisje en de antropoloog

Klassieke muziek saai? Onbekend? Onbemind? Ik zeg: ja, maar toch las ik met veel plezier over het Koninklijk Concertgebouworkest in het boek Stemmen van Judith van der Wel. Een antropologische verkenning van het orkest als organisme, dat openbreekt in veelkleurige individuen die een jaar samen op schoolreisje gaan.

In 2013 bestond het Koninklijk Concertgebouworkest 125 jaar, en daarom ging het op wereldtournee. Dat was nog nooit eerder gedaan door een klassiek orkest. Judith mocht mee om dit unicum vast te leggen. Ze schreef een dik boek in vijf delen, naar de pijlers van het orkest: ritme, snaren, koper, hout en baton (het stokje van de dirigent). Hoewel haar eerste impressie van het orkest “een zwartgeklede massa” was, zag ze na een jaar meelopen “een groep kleurrijke individuen met mooie verhalen”.

Mooie verhalen
Met die mooie verhalen heet Judith de lezer uitnodigend welkom in de rijke wereld van het symfonieorkest. Het resultaat is een boek boordevol muziek, dat ook oog heeft voor de schoolreisje-achtige uitgelatenheid van de muzikanten tijdens de tournee, de vermoeienissen van het Boekrecensie Stemmenmaandenlange reizen, de strakke organisatie achter de schermen en de politieke moeilijkheden in landen die het orkest aandoet.

Zo schrijft ze over de crackverslaafden voor het concertgebouw in São Paulo, en hoe die opeens verdwenen vlak voor het WK. Ze beschrijft de commotie door de aanwezigheid van Jorge Zorreguieta bij het concert en zelfs op de receptie in Argentinië. En in Rusland willen sommige muzikanten protesteren tegen de schending van de homorechten aldaar, maar daar steekt algemeen directeur Jan Raes een stokje voor.

Idealistisch tintje
Ze plaatst het Concertgebouworkest zo vol in de wereld. Verschillende malen wordt het orkest met de maatschappij als geheel vergeleken. De Griekse violist Leonidas Kavakos zegt in het boek dat de wereld meer als een orkest zou moeten functioneren: “In een goed orkest mengen alle persoonlijkheden zich in dat ene organisme, omdat ze zich inspannen voor hetzelfde doel. In de maatschappij gaat het daarentegen om macht, om wie het meeste wint en het voor het zeggen krijgt … Musici moeten naar elkaar luisteren en kijken, ze moeten samen ademen en samen spelen. Dat is precies wat de wereld van nu nodig heeft.”

Dat idealistisch-filosofische tintje is een heel prettige aanvulling: Judith pakt niet alleen de breedte, maar gaat ook de diepte in.

De participerende antropoloog
Stemmen
lijkt vaak verdacht veel op een antropologisch onderzoek. Judith doet aan participerende observatie binnen het orkest als ware het een spannende, onbekende tribe. De tribe bestaat uit een groot aantal nationaliteiten met elk een emigratieverhaal. De leden hebben zenuwslopende audities moeten uitvoeren om bij de tribe te mogen horen.

Er bestaan verschillende groepjes binnen de tribe, zoals de kwajongensachtige types van de kopersectie. Het orkest kent een strikte hiërarchie tussen en binnen de groepjes, evenals tussen de dirigent en het orkest. De leden van het Concertgebouworkest leiden aan typische kwalen als doofheid en muzikantenburn-out. Ze gebruiken speciale rituelen om hun zenuwen te bedwingen en hebben vreemde, gedisciplineerde dagritmes met uren repeteren. Tot slot is het orkest een ware democratie – een recept voor succes, zo blijkt uit de vergelijking met andere orkesten wereldwijd.

Een weergave in 3D
Het orkest is zo een wereld op zich, die Judith in al zijn facetten beschrijft. We leren over de organisatie van een orkest, hoe audities werken, wie waar staat en waarom, maar ook weet Judith gepassioneerd en spannend te schrijven over de levens van componisten, over de akoestiek in verschillende concertzalen en over de invloed van de cultuurbezuinigingen op het orkest. Die driedimensionale beschrijving van een symfonieorkest en de verhalen van de individuen die er deel van uitmaken, maken het boek heel boeiend om te lezen.

Zo is Stemmen niet slechts een boek over een orkest dat repeteert, stemt en speelt, maar geeft het ook een stem aan de verhalen van individuele orkestleden en aan het orkest als actor in de wereld. Judith van der Wel heeft het Koninklijk Concertgebouworkest voor een breed publiek toegankelijk gemaakt: missie geslaagd.

www.judithvanderwel.nl

 

Schrijven is oorlog of: kleine boekjes 1

Heb je ook wilde plannen die altijd mislukken? Al eens geprobeerd een boek te schrijven? Elke ochtend te mediteren? Een bedrijf te starten? Een workshop in elkaar te zetten? Voor mensen zoals ik, die juist níet doen wat ze het liefst willen, las ik het perfecte boek. The War of Art zegt: harnas aan, oogkleppen op, speren slijpen en gáán.

Dit ben ik op een overmoedige dag. Ik sta op, klap mijn laptop open, check mijn e-mail en Facebook. Ik reageer op van alles, bekijk vacatures, betaal rekeningen, schrijf facturen. Ergens tussendoor zet ik thee. Ik laat mijn Facebook en mail openstaan voor als er een nieuw bericht is. Als ik honger krijg pak ik een boterham. Ik schrik me dood als de telefoon gaat (wat willen ze van me ik heb mijn tanden nog niet eens gepoetst!). Rond een uur of drie ben ik het zat om in mijn pyjama te zitten en ga ik douchen. Daarna bedenk ik ad hoc klusjes voor mezelf. Ik pauzeer niet. Dit gaat tot ’s avonds laat door omdat ik vind dat ik niet hard genoeg heb gewerkt. Ik neem me voor om het morgen écht anders aan te pakken.

‘Het moeilijkst van schrijven is om gewoon te gaan zitten en te beginnen,’ zei ik tegen schrijver en stoere punker Henk van Straten. ‘Vooral als er niemand is die zegt dat het moet.’ ‘Dan heb ik een boek voor je,’ zei hij.

The War of Art is een schop onder de kont voor dromers, zelfverloochenaars en klaplopers. In klare taal en korte hoofdstukken laat auteur Steven Pressfield zien wat ons tegenhoudt om te doen wat we echt willen: Resistance (Weerstand).

Eerst de afwas en in therapie
Weerstand wordt door Pressfield als een kracht omschreven, onzichtbaar maar duidelijk voelbaar. Hij lijkt van buitenaf te komen, van mensen, omstandigheden, maar hij komt van binnenuit. Weerstand is war of artverraderlijk: het liegt en bedriegt en heeft altijd wel een argument om je van gedachten te doen veranderen. Soms zijn deze argumenten of rationaliseringen waar, maar dat doet er niet toe. Weerstand wordt gevoed door angst en het wordt nooit minder. Je moet er elke dag tegen vechten.

Een feest van herkenning! Inderdaad, bij alle dingen die ik echt wil, word ik tegengehouden door een grote berg angst, twijfel, chaos, smoesjes en onwil. En daaraan toegeven leidt tot maar al te herkenbare symptomen. Weerstand voelt als ongelukkigheid, het voelt als verveling, als een sluipende miserie, constante rusteloosheid en een schuldgevoel dat me almaar verder afbreekt.

Ik heb bovendien de neiging om te denken dat ik eerst gelukkig of in balans moet zijn, voor ik kan creëren. Ook dat is Weerstand. Weerstand staat altijd klaar met een ‘ja maar’ of ‘nee want’ om ons te weerhouden van doen wat we willen. Hoho, zegt Pressfield: healing = personal life. Personal life ≠ work.

Hitler en andere losers
Weerstand is dus een oersterke negatieve kracht. Een veelzeggend grapje uit het boek om dat te illustreren: Adolf Hitler wilde eigenlijk schilder worden, maar dat mislukte. Het was voor Hitler blijkbaar gemakkelijker om de Tweede Wereldoorlog te starten dan om een leeg doek te confronteren.

Pressfield schroomt niet een kijkje in zijn ziel te geven en vertelt wat zijn Weerstand bij dit eigenste boek was. Namelijk: ‘ik ben een fictieschrijver, ik moet niet aan non-fictie beginnen’, en ‘waarom zou ik andere mensen vertellen wat ze moeten doen, hoe ijdel is dat!’. Weerstand is dus niet iets voor sukkels en mislukkelingen, het is iets waar iedereen mee moet dealen, ook Echte Schrijvers.

Hij koos ervoor om het boek toch te schrijven, want hij wist: hoe meer Weerstand je voelt, hoe groter je wens is om ergens aan te beginnen. Weerstand kan zo als maatstaf dienen.

Stort je in de strijd
Pressfield verklaart Weerstand als evolutionair. Mensen zijn groepsdieren. Met de Oude Grieken werden de moderne tijd en het vrije individu geboren, maar door onze tribale genen weten we nog steeds niet hoe we alléén moeten functioneren. Dat is de paradox: het vrije individu is slechts vrij naar de mate van zijn eigen zelfbeheersing.

Iets creëren is dus een constant gevecht tegen Weerstand. Het is oorlog, en daar moet je je bewust van zijn. Je moet je tot de tanden toe wapenen alvorens op het strijdtoneel te stappen, en vervolgens kun je je verdediging geen moment laten zakken.

Dus hoe bereid je je voor? Pressfield zegt: word een professional. Net alsof je een echte baan zou hebben. Je komt elke dag, je komt op tijd, je overleven hangt ervan af, je overidentificeert je niet met je werk, je beheerst het ambacht. Je vergadert op maandagochtend (met jezelf) en stuurt daarna een takenlijst rond (aan jezelf).

De professional begrijpt uitgestelde beloning, hij is geduldig. Het boek is nog lang niet af, het levert nog niks op en zal misschien nooit iets opleveren, maar hij zet door. Hij creëert orde. Hij demystificeert zijn werk: het is een ambacht, not art, en het ambacht maak je je meester. Hij accepteert geen smoesjes en rationaliseringen. Hij confronteert zijn angst en hij snapt dat hobbels op de weg erbij horen. Tegenwind, onrecht, mislukkingen: hij neemt ze niet persoonlijk, net zoals hij succes niet persoonlijk neemt. Succes is niet het doel: je werk doen is het doel. Een pro durft om hulp te vragen. Hij kent zijn grenzen en huurt een boekhouder in.

The Mother of all Fears
Deel drie van het boek gaat over Inspiratie, de Muze die altijd bij je is, het Zelf. Mij wat te zweverig, maar gelukkig geeft Pressfield een disclaimer: is dit je te wollig, zie het dan als een metafoor. Iedere schrijver kent immers wel die flow die je kan bevangen, waarin de woorden op papier dwarrelen als kwamen ze niet uit jezelf. Als je dat de Bron, de Muze of God wil noemen, mij best.

En na de zweverigheid wist deel drie mij nog in een belangrijk inzicht te bevestigen. Laatst bedacht ik me: ik word hoe ouder hoe banger lijkt het wel, en waar komt die angst toch vandaan? Het moet angst zijn voor mijn eigen kracht, waar ik slechts een vaag vermoeden van heb. Het is de angst om boven mezelf uit te stijgen. Want kan ik dat wel aan? Ben ik wel waardig? En wat blijft er daar beneden achter als ik dat doe, welk leven, welke mensen, welk misschien gekoesterde deel van mezelf?

Pressfield bevestigt dat. Weerstand = angst: angst om te falen, om blut te zijn, om je opleiding weg te gooien, om belachelijk te zijn, om gek te worden. Maar het moederschip van alle angsten is paradoxaal genoeg de angst voor succes.

“I don’t even think about it”
Goed. We kijken de angst dus recht in het gezicht. Zo ziet het einde van een werkdag voor Pressfield eruit: “I power down. It’s three, three-thirty. The office is closed. How many pages have I produced? I don’t care. Are they any good? I don’t even think about it.”

Het enige wat ertoe doet is dat hij het weer gedaan heeft: zitten, schrijven, de Weerstand verslaan. Pro worden is een beslissing die je neemt – geen smoesjes, geen bullshit.

The War of Art is herkenbaar en inspirerend. Je kunt Weerstand verslaan. Goed nieuws! De auteur helpt je op weg door kort en krachtig te schrijven. De hoofdstukken zijn zo beknopt dat Weerstand nauwelijks een kans krijgt. Ook vind ik het heel prettig dat de auteur hij en zij regelmatig afwisselt. Als the pro een zij is, voel ik me direct meer aangesproken. Chapeau voor Pressfield dat hij daar oog voor heeft, niet automatisch kiest voor ‘hij’, en ook niet het gebruik van ‘hij’ als zogenaamd neutraal of handiger persoonlijk voornaamwoord probeert te verantwoorden. Zo vanzelfsprekend eigenlijk, hoera!


Now if you’ll excuse me…
Ik moet, geheel gekleed en met gepoetste tanden, naar het volgende taakje op mijn planning. En ja, ik heb ontbeten, al pauze gehad en mijn Facebook staat uit 🙂

Bang voor het kussen

Mijn meditatiekussen is vaaloranje. Hij ligt midden in mijn kamer te shinen op zijn roze yogamatje. Zo’n uitnodigende kleurstelling zou normaal gesproken onweerstaanbaar zijn voor mij. Maar zelfs al kan ik het bestaan van mijn kussen niet vergeten omdat ik er iedere dag wel een keer mijn benen over breek: erop gaan zitten lijkt altijd een brug te ver. Waarom mediteer ik niet?!

Ik weet stiekem het antwoord wel. De tijd die ik eigenlijk zou moeten mediteren heb ik al uitgebreid besteed aan analyseren waarom ik het niet doe. Ik heb nu dus een drieledig antwoord op de vraag geformuleerd, maar nog altijd geen oplossing…

Many importance
Zoals ik ook mijn vader van 76 niet durf te bellen als me een beetje zorgen om hem maak: er hangt teveel vanaf. In mijn hoofd is meditatie de oplossing voor alles. Zou ik braaf elke dag mediteren, dan zou ik tevredener zijn, minder stress hebben en meer voor elkaar krijgen. Ik zou een betere werknemer zijn, een fijnere vriend, een lievere zus. Al mijn creatieve ideeën zouden volop de ruimte krijgen en tot wasdom kunnen komen. Mijn relatie zou erop vooruitgaan, ik zou er gezonder uitzien, vaster slapen, hell, ik zou zelfs mijn administratie op orde hebben en eindelijk eens aan rijles kunnen beginnen!

In mijn hoofd is meditatie iets heel groots geworden, iets dat zó belangrijk is dat ik er helemaal van dichtklap. Als je verwachtingen zó hooggespannen zijn, is het soms verleidelijk om er maar helemaal niet aan te beginnen, zodat je dat hele belangrijke ding ook niet kunt verpesten… Zo maak ik me liever constant zorgen over mijn vader, dan dat ik hem opbel met het risico dat die zorgen waarheid kunnen worden en dat ik dan ook nog eens niet gebeld heb!

Kan ik allang
Wat me ook tegenhoudt is een soort koppig idee van “dit kan ik al, ik hoef dit niet meer”. Ik heb in mijn studententijd twee keer een cursus mindfulness gedaan. De eerste keer was prachtig en geweldig. Ik deed mijn oefeningen met discipline en toewijding, zes keer per week, soms wel een uur per dag. Het hielp ook nog. Ik begon te beseffen dat gedachten inderdaad geen feiten zijn, en dat je zorgen maken niets aan een situatie verandert, en dat je je demonen kunt omarmen.

Tijdens de tweede cursus die ik deed, had ik het te druk met denken “ja, ok, dit kon ik dus al”. “Been there done that”, dacht ik als mijn cursusgenoten dooremmerden over hun ervaringen tijdens de bodyscan. Die vervelende en nogal arrogante koppigheid dwarsboomt mijn wens om weer te beginnen. Ik wil niet weer-beginnen! Ik wil daar staan waar ik stond na twee maanden cursus. Om dezelfde reden speel ik nooit meer piano. Geen zin om die paar stappen achteruit te zetten die nodig zijn om vooruit te komen.

Spoken en demonen
Maar de grootste beer op mijn weg naar verlichting is toch wel dat dat kussen me stiekem bang maakt. Ik heb altijd een sluimerende angst voor de duistere dingen die ik in mijn eigen hoofd kan tegenkomen. Daarom durf ik ook geen drugs te gebruiken. Open your mind & unleash the kraken! Het is veel gemakkelijker om afleiding te zoeken, tv te kijken, hard te werken, en alle zooi lekker in mijn hoofd te laten zitten.

Voor welke hypothetische hoofdzooi ik dan zo bang ben, dat weet ik ook niet zo goed. Mijn verstand zegt bovendien: als er zooi is, kun je die maar beter confronteren. Maar goed, mijn angst voor spoken en demonen is natuurlijk ook niet rationeel. Depressies, paniekaanvallen, jeugdtrauma’s, fobieën, verlatingsangst, zelfverwijt, twijfels, spijt, schaamte, verwarring, gekte, leegte… Wie weet waar ik voor kom te staan als ik ophoud me te verstoppen? Ik vind het eng!

Maar ik zit in een spagaat. Door zo consequent niet te mediteren maar het wel te willen, word ik dagelijks geconfronteerd met mijn verlammende perfectionisme, mijn hoogmoedige koppigheid en bovenal: mijn angst voor de angst. Misschien is een kwartier per dag op dat kussen gaan zitten en mijn ogen sluiten dan toch wel een gemakkelijker, misschien zelfs een bevrijdende optie… Iemand tips?

Dit blog verscheen op bodhitv.nl

Vreemdelingendetentie: de media verzaken hun waakhondfunctie

Op 17 januari pleegde de Russische dissident Aleksandr Dolmatov zelfmoord in het vreemdelingendetentiecentrum in Rotterdam. Hij was daar opgesloten terwijl hij niet illegaal in Nederland verbleef: de politieke vluchteling was in beroep gegaan tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag, de procedure liep nog. Gaat het Nederlandse journaille de resultaten van het lopende onderzoek afwachten, of zal het zijn goede oude waakhondfunctie eens uit de kast trekken?

Enkele dagen na de zelfmoord verschenen er achtergrondartikelen over de zaak in de media. Deze artikelen berichtten over Dolmatovs leven in Rusland en de ontwikkelingen die leidden tot zijn vlucht, het verloop van Dolmatovs asielaanvraag in Nederland, de onduidelijkheid van de redenen van zijn zelfmoord en het nu mogelijk in de soep lopen van het Nederland-Ruslandjaar 2013. Ondertussen is het meest prangende onderwerp blijven liggen: het Nederlandse asielbeleid met als specifiek pijnpunt de al vaker in opspraak geraakte detentiecentra.

​De detentiecentra komen in de media als er incidenten zijn, maar de aandacht is steeds van korte duur en er wordt niet aan follow-up gedaan over al dan niet doorgevoerde verbeteringen. Begin 2011 werd er nog bericht dat minister Leers alternatieven voor vreemdelingendetentie zou onderzoeken. Daarna was er nieuws over het falende ventilatiesysteem in detentiecentrum Zeist en de hoge herstelkosten van het ondeugdelijke detentiecentrum Alphen. Begin 2012 kwam Zembla met een kritische reportage over de uitzichtloze situatie van de gevangen vreemdelingen. Desalniettemin werd het vreemdelingenbeleid verder aangescherpt in maart 2012. In augustus 2012 bestempelde de Nationale Ombudsman de situatie in de detentiecentra als ‘ernstig’. Het nieuwe kabinet maakte illegaliteit vervolgens strafbaar en verscherpte de regels nog verder.

​Meer dan een week na de zelfmoord zijn er slechts drie kritische berichten over de detentiecentra verschenen: over het onverantwoorde gebruik van de isoleercel (Trouw, 22 januari); over de fouten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in de zaak (NRC, 22 januari); en over de toenemende ongastvrijheid van het westen tegenover Russische politieke vluchtelingen, overgenomen uit de New York Times (De Volkskrant, 26 januari). De vraag is waarom er geen debat op gang komt .

​Waarom beperken de media zich tot het verslaan van incidenten? Het is niet alsof het dossier nader onderzoek behoeft. Alle feiten liggen op tafel: de langdurige en herhaalde opsluiting van niet-criminele asielzoekers, inclusief moeders, zwangere vrouwen en getraumatiseerde vluchtelingen; de veel strengere omstandigheden dan in gewone gevangenissen; de gebrekkige medische en psychologische hulp in de centra; de slechte bouwkundige staat waarin bepaalde centra verkeren, en het te veelvuldige gebruik van de isoleercel. Dat is bekend. Ook is bekend dat het huidige beleid niet leidt tot meer uitzettingen. Verder heeft Amnesty International een aantal internationaal beproefde alternatieven voor ons systeem van vreemdelingendetentie aangedragen. Ook dat is bekend. Toch grijpt de politiek niet in maar stelt daarentegen een vreemdelingen-oppakquotum in.

​Waar blijven de opinies? De commentaren, de kritieken, de analyses? Waarom leidt dit niet tot verontwaardig onder onze journalisten? Zien zij de taak die voor hen ligt niet? Of voelen zij zich niet verantwoordelijk voor de informatievoorziening richting het volk, en niet verantwoordelijk voor rechtstreekse kritiek op de politiek? Terwijl het westen zijn poorten sluit voor vluchtelingen uit alle windrichtingen, tonen de media zich een luie waakhond van de democratie en de mensenrechten.