Ecotheologie: naar een theologisch gefundeerde waardenomslag

Gepubliceerd in Dei Facto 2(2), december 2009

In de ecotheologie, die in alle grote godsdiensten en ook in nieuwe spirituele bewegingen een plaats heeft, wordt nagedacht over de relatie tussen de mens, de aarde en God in het licht van de ecologische crisis. Hoe is ons wereldbeeld van invloed geweest op die crisis en hoe kan er met ecotheologische argumenten een ethiek geformuleerd worden die kan helpen het tij te keren?

Christendom
De ecotheologie is nog maar een jonge tak van sport die in de jaren ’60 opkwam, de tijd van flowerpower en een groeiend milieubewustzijn. In 1967 publiceerde historicus Lynn White Jr. het artikel “The historical roots of our ecological crisis”. Die roots waren volgens hem het christelijke antropocentrisme dat voortkwam uit het scheppingsverhaal waarin God de mens heerschappij over de aarde geeft. White suggereert om een alternatieve kijk op de aarde te zoeken in andere christelijke bronnen, zoals het Zonnelied van Franciscus van Assisi, waarin deze de natuur beschrijft in termen als broeder zon, zuster maan en moeder aarde.

White’s artikel heeft veel stof doen opwaaien. Het heeft onder christenen tot protest en discussie geleid, maar ook tot een nieuw bewustzijn van de grote invloed van religie op de maatschappij. Misschien was White’s artikel wel het begin van de ecotheologie. In antwoord op White hebben theologen geprobeerd een ecologisch verantwoorde manier van omgaan met de aarde uit christelijke bronnen te destilleren.

Allereerst werd de Genesis-notie van menselijke heerschappij over de schepping geherinterpreteerd als ‘rentmeesterschap’. De mens als rentmeester is niet gelegitimeerd om met Gods schepping te doen wat hij maar wil. Verder wordt er inspiratie gehaald uit het boek van Job, waarin de natuur en de dieren als Gods schepping worden opgehemeld en het antropocentrisme neergehaald wordt: “Waar waart gij, toen ik de aarde grondvestte?”, zo spreekt God Job bestraffend toe. In dit licht kunnen we ook het bekende adagium “Gods wegen zijn ondoorgrondelijk” zien: wij weten niet wat Zijn bedoeling met de schepping is, dus mogen we die schepping ook niet naar onze hand zetten en moeten we haar respecteren.

Een ander idee is om de gedachte “heb je naaste lief” door te trekken naar de schepping als geheel. Ook in een ecologisch verantwoorde verlossingsleer vinden we dit idee van de holistische schepping: cosmic redemption, oftewel het idee dat de gehéle schepping verlost zal worden. Wij mensen moeten de schepping daarbij helpen, ze is namelijk niet perfect, en we moeten haar zeker niet tegenwerken, aldus John Austin Baker in het boek Liberating Life.

Naast argumenten over de schepping en de verlossing, gaan er ook stemmen op voor een ecotheologie vanuit het verbond dat God met de mensen sloot. De theologe Rosemary Ruether pleit hiervoor, omdat we volgens haar alleen met duidelijke wetten de crisis te lijf kunnen gaan. Ze wijst hiervoor bijvoorbeeld op Exodus 23, waarin staat dat de mens op de sabbath en in elk zevende jaar zal rusten: “Zes jaar zult gij het land bezaaien en zijn opbrengst inzamelen, maar in het zevende zult gij het braak laten liggen en het met rust laten.”

Islam
Ook vanuit andere religies is er nagedacht over wat de natuur van de relatie tussen mens en natuur is, en is er van daaruit ook een ecotheologie ontstaan. De Islam bijvoorbeeld worstelt met hetzelfde antropocentrische wereldbeeld als het christendom en probeert ook om via de notie van regentschap dat beeld te verzwakken. Professor Islamstudies Mawil Izzi Deen noemt een paar islamitische ecotheologische argumenten die veel op de christelijke lijken, zoals respect voor Gods schepping, Zijn bedoeling met de aarde die wij niet kennen en de daarbij horende natuurwetten en de natuurlijke balans. De schepping is bovendien het bewijs van de glorie van de schepper. Zouden we de schepping vernietigen dan vernietigen we het bewijs van Gods grootsheid en dat is een direct gebrek aan respect voor God. Ook wijst Izzi Deen naar het voorbeeld van de profeet Mohammed, die “considered all living creatures worthy of protection and kind treatment”.

Eveneens belangrijke argumenten zijn het belang van toekomstige generaties (de islam kent geen verlossingsleer), en dat de mens uniek is oftewel de enige is die de taak van rentmeesterschap over de aarde van God heeft gekregen. Tot slot haalt Izzi Deen de volgende uitspraak van Mohammed aan: “When doomsday comes when someone has a palmshoot in his hand he should plant it”. Volgens zijn interpretatie moeten we ook nu het misschien al te laat lijkt te zijn om de aarde nog te redden, doorgaan met planten, omdat planten intrinsiek goed is.

Een andere grote naam in de moslim-ecotheologie is Seyyed Hossein Nasr, die al in 1966 over dit onderwerp sprak. Hij snijdt het vraagstuk van de vrije wil aan, en zegt dat de mens vrij is in zijn zijn, en niet in zijn doen. De vrijheid van de mens is een innerlijke vrijheid. Nasr ziet de opkomst van de wetenschap en daarmee de neergang van spiritualiteit en traditie als belangrijkste oorzaak van de ecologische crisis. Volgens Nasr moet de mens zich bewust worden van deze spirituele crisis en de gevolgen ervan voor het milieu. Hij pleit voor een nieuwe spiritualiteit.

Boeddhisme
In het boeddhisme is het idee van interdependentie de belangrijkste stimulans voor een verantwoorde omgang met de natuur. Alles is onderling afhankelijk, dus álles is van belang voor het in stand houden van het universum. Alles is daarmee waardevol, zegt bijvoorbeeld de Avatamsaka soetra: “Every living being and every minute thing is significant, since even the tiniest thing contains the whole mystery”. Ook geloven de boeddhisten in wedergeboorte, een belangrijk punt in het licht van de ecotheologie: de boeddhist leeft vanuit compassie omdat hij zelf ook ooit een dier of een plant was of zal worden. In het Mahāyāna-boeddhisme wordt er bovendien geloofd in de tathāgatagharba: de boeddhanatuur die in elk wezen aanwezig is.

Er is dus geen sprake van antropocentrisme in het boeddhisme. Wel heeft de Boeddha erop gewezen dat een wedergeboorte als mens heel bijzonder is. De mens heeft een hogere spiritualiteit en moraliteit dan andere wezens en daar moeten we goed gebruik van maken.

Hindoeïsme
Ook het hindoeïsme werkt met het begrip interdependentie, in die zin dat de mens als microkosmos nauw verbonden is met het universum als macrokosmos. Het universum wordt ook wel als het lichaam van God gezien, of dat van de kosmische man Puruśa. Wij en de rest van de aarde maken deel uit van Puruśa, zijn goddelijkheid manifesteert zich in alle vormen. Alles wat wij mensen doen, werkt door in het universum, en alles wat er in het universum gebeurt, overkomt ons ook. Er is dus sprake van een directe relatie die in balans gehouden moet worden. Het universum wordt gezien als een levend organisme, een ecosysteem, waar wij mensen deel van uitmaken. Maken we het systeem kapot, dan gaan we zelf mee ten onder. De noties van karma en wedergeboorte kunnen ook een stimulans zijn voor een goede omgang met de aarde: onethisch handelen heeft niet alleen op kosmisch niveau grote gevolgen, maar ook op persoonlijk niveau, omdat het een mindere wedergeboorte oplevert.

Vanuit de geïnstitutionaliseerde religies valt er veel te zeggen voor verantwoord omgaan met de aarde. Ik denk dus dat de grote godsdiensten een belangrijke rol kunnen spelen in de strijd tegen de ecologische crisis.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *