‘En dan nog iets’: alles wat je ervan verwacht

Na haar succesvolle debuut Taal is zeg maar echt mijn ding kwam cabaretier Paulien Cornelisse in 2012 met haar tweede bundel columns En dan nog iets. Qua opzet is het boekje precies hetzelfde als zijn voorganger. Weinig verrassend dus, maar als leesvoer is het prettig genoeg om Cornelisse weg te laten komen met meer van hetzelfde.

En dan nog ietsEn dan nog iets staat vol herkenbare en grappige opmerkingen over het taalgebruik dat we overal om ons heen horen en misschien zelf wel bezigen. De lezer wordt geconfronteerd met zijn eigen gekke taalgedragingen (“daar ben ik van”, “bij wijze ván”, “oer”) én met het feit dat hij alweer hopeloos achterloopt bij wat er nu weer hip is (“Hard is het nieuwe vet”). Gelukkig kan die lezer zich achter de schrijfster zelf scharen, die voor bespreking van de hipste woorden een “informant (man, 22)” moest inschakelen.

Daarnaast lanceert Cornelisse ook interessante (maar weinig diepgaande) taaltheorieën. Zoals de karakterisering van de laatste decennia aan de hand van het leestekengebruik van meisjes (van drie puntjes in de jaren ‘60, uitroeptekens in de eighties en vraagtekens in de jaren ’90 tot de huidige meisjes van zestien die hun zinnen doorspekken met lukraak geplaatste punten). Of hoe “moeder” de overtreffende trap is van “moe”, hoe troosten altijd gepaard gaat met een acute taalonzekerheid en hoe het “mijn kat is doder”-type vrouw jouw problemen ook altijd heeft, maar dan erger.

Het gebrek aan diepgang probeert Cornelisse niet te verhullen, het lijkt soms zelfs een handelsmerk te zijn. Meermaals gebruikt ze het woord “lief” om iets positief te duiden. Die pretentieloosheid is prettig. Tegelijkertijd schrijft ze met een cynische ondertoon zodat pretentieloosheid niet verzandt in nietszeggendheid: “’een warm mens’ is meestal een onuitstaanbaar persoon die je de hele tijd overlaadt met ‘hoe is het nou echt met je’ en ‘ik vind het heel mooi dat ik je hier tegenkom’”. Die kattigheid maakt de argeloze schrijfstijl van het boek net even wat pittiger.

Een valkuil van deze bundel columns is dat taal een persoonlijke aangelegenheid is: niet iedereen verwondert zich als tante Guusje zegt dat ze “naar de specialist moet” en niet iedereen vindt “organist” een vies woord. Stukjes die geen enkel gevoel van herkenning oproepen, lopen het gevaar onbetekenend over te komen. Ook vermoed ik dat Cornelisse op de Vlamingen onder ons niet zoveel indruk zal maken. Veel van de zinsneden die haar opvallen, lijken mij typische Randstadtaal zodat het gebrek aan herkenning voor Belgen echt te groot zal zijn. Snappen Vlamingen wat “bekakte mensen” zijn en dat Cornelisse bij de Afghaanse provincie Helmand altijd denkt “dat er een of andere barones aan het woord is, die het over Helmond heeft”?

Voor degenen die Cornelisse’s habitat delen is En dan nog iets echter een heerlijk herkenbaar en bij vlagen hilarisch boek. Weinig verrassend, maar het maakt alle verwachtingen waar. Wel doet het boek verlangen naar substantiëler werk, want vooral de wat langere stukjes bewandelen interessante gedachtepaden die verder uitgewerkt zouden kunnen worden. De vraag rijst echter of Cornelisse dat in haar mars heeft. De kans is groot dat haar kracht ligt in het schrijven van gevatte columns en het spelen van talig cabaret, en dat haar talent en ambitie niet in diepgaande epistels zitten.

Concluderend kunnen we zeggen dat En dan nog iets in zijn genre een fijn boek is, waar gerust een derde deel van uit mag komen. Om af te sluiten met een rake quote: “Oké. Bedankt voor je ‘goedbedoelde’ advies. Lul.”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *