Schrijven is oorlog of: kleine boekjes 1

Heb je ook wilde plannen die altijd mislukken? Al eens geprobeerd een boek te schrijven? Elke ochtend te mediteren? Een bedrijf te starten? Een workshop in elkaar te zetten? Voor mensen zoals ik, die juist níet doen wat ze het liefst willen, las ik het perfecte boek. The War of Art zegt: harnas aan, oogkleppen op, speren slijpen en gáán.

Dit ben ik op een overmoedige dag. Ik sta op, klap mijn laptop open, check mijn e-mail en Facebook. Ik reageer op van alles, bekijk vacatures, betaal rekeningen, schrijf facturen. Ergens tussendoor zet ik thee. Ik laat mijn Facebook en mail openstaan voor als er een nieuw bericht is. Als ik honger krijg pak ik een boterham. Ik schrik me dood als de telefoon gaat (wat willen ze van me ik heb mijn tanden nog niet eens gepoetst!). Rond een uur of drie ben ik het zat om in mijn pyjama te zitten en ga ik douchen. Daarna bedenk ik ad hoc klusjes voor mezelf. Ik pauzeer niet. Dit gaat tot ’s avonds laat door omdat ik vind dat ik niet hard genoeg heb gewerkt. Ik neem me voor om het morgen écht anders aan te pakken.

‘Het moeilijkst van schrijven is om gewoon te gaan zitten en te beginnen,’ zei ik tegen schrijver en stoere punker Henk van Straten. ‘Vooral als er niemand is die zegt dat het moet.’ ‘Dan heb ik een boek voor je,’ zei hij.

The War of Art is een schop onder de kont voor dromers, zelfverloochenaars en klaplopers. In klare taal en korte hoofdstukken laat auteur Steven Pressfield zien wat ons tegenhoudt om te doen wat we echt willen: Resistance (Weerstand).

Eerst de afwas en in therapie
Weerstand wordt door Pressfield als een kracht omschreven, onzichtbaar maar duidelijk voelbaar. Hij lijkt van buitenaf te komen, van mensen, omstandigheden, maar hij komt van binnenuit. Weerstand is war of artverraderlijk: het liegt en bedriegt en heeft altijd wel een argument om je van gedachten te doen veranderen. Soms zijn deze argumenten of rationaliseringen waar, maar dat doet er niet toe. Weerstand wordt gevoed door angst en het wordt nooit minder. Je moet er elke dag tegen vechten.

Een feest van herkenning! Inderdaad, bij alle dingen die ik echt wil, word ik tegengehouden door een grote berg angst, twijfel, chaos, smoesjes en onwil. En daaraan toegeven leidt tot maar al te herkenbare symptomen. Weerstand voelt als ongelukkigheid, het voelt als verveling, als een sluipende miserie, constante rusteloosheid en een schuldgevoel dat me almaar verder afbreekt.

Ik heb bovendien de neiging om te denken dat ik eerst gelukkig of in balans moet zijn, voor ik kan creëren. Ook dat is Weerstand. Weerstand staat altijd klaar met een ‘ja maar’ of ‘nee want’ om ons te weerhouden van doen wat we willen. Hoho, zegt Pressfield: healing = personal life. Personal life ≠ work.

Hitler en andere losers
Weerstand is dus een oersterke negatieve kracht. Een veelzeggend grapje uit het boek om dat te illustreren: Adolf Hitler wilde eigenlijk schilder worden, maar dat mislukte. Het was voor Hitler blijkbaar gemakkelijker om de Tweede Wereldoorlog te starten dan om een leeg doek te confronteren.

Pressfield schroomt niet een kijkje in zijn ziel te geven en vertelt wat zijn Weerstand bij dit eigenste boek was. Namelijk: ‘ik ben een fictieschrijver, ik moet niet aan non-fictie beginnen’, en ‘waarom zou ik andere mensen vertellen wat ze moeten doen, hoe ijdel is dat!’. Weerstand is dus niet iets voor sukkels en mislukkelingen, het is iets waar iedereen mee moet dealen, ook Echte Schrijvers.

Hij koos ervoor om het boek toch te schrijven, want hij wist: hoe meer Weerstand je voelt, hoe groter je wens is om ergens aan te beginnen. Weerstand kan zo als maatstaf dienen.

Stort je in de strijd
Pressfield verklaart Weerstand als evolutionair. Mensen zijn groepsdieren. Met de Oude Grieken werden de moderne tijd en het vrije individu geboren, maar door onze tribale genen weten we nog steeds niet hoe we alléén moeten functioneren. Dat is de paradox: het vrije individu is slechts vrij naar de mate van zijn eigen zelfbeheersing.

Iets creëren is dus een constant gevecht tegen Weerstand. Het is oorlog, en daar moet je je bewust van zijn. Je moet je tot de tanden toe wapenen alvorens op het strijdtoneel te stappen, en vervolgens kun je je verdediging geen moment laten zakken.

Dus hoe bereid je je voor? Pressfield zegt: word een professional. Net alsof je een echte baan zou hebben. Je komt elke dag, je komt op tijd, je overleven hangt ervan af, je overidentificeert je niet met je werk, je beheerst het ambacht. Je vergadert op maandagochtend (met jezelf) en stuurt daarna een takenlijst rond (aan jezelf).

De professional begrijpt uitgestelde beloning, hij is geduldig. Het boek is nog lang niet af, het levert nog niks op en zal misschien nooit iets opleveren, maar hij zet door. Hij creëert orde. Hij demystificeert zijn werk: het is een ambacht, not art, en het ambacht maak je je meester. Hij accepteert geen smoesjes en rationaliseringen. Hij confronteert zijn angst en hij snapt dat hobbels op de weg erbij horen. Tegenwind, onrecht, mislukkingen: hij neemt ze niet persoonlijk, net zoals hij succes niet persoonlijk neemt. Succes is niet het doel: je werk doen is het doel. Een pro durft om hulp te vragen. Hij kent zijn grenzen en huurt een boekhouder in.

The Mother of all Fears
Deel drie van het boek gaat over Inspiratie, de Muze die altijd bij je is, het Zelf. Mij wat te zweverig, maar gelukkig geeft Pressfield een disclaimer: is dit je te wollig, zie het dan als een metafoor. Iedere schrijver kent immers wel die flow die je kan bevangen, waarin de woorden op papier dwarrelen als kwamen ze niet uit jezelf. Als je dat de Bron, de Muze of God wil noemen, mij best.

En na de zweverigheid wist deel drie mij nog in een belangrijk inzicht te bevestigen. Laatst bedacht ik me: ik word hoe ouder hoe banger lijkt het wel, en waar komt die angst toch vandaan? Het moet angst zijn voor mijn eigen kracht, waar ik slechts een vaag vermoeden van heb. Het is de angst om boven mezelf uit te stijgen. Want kan ik dat wel aan? Ben ik wel waardig? En wat blijft er daar beneden achter als ik dat doe, welk leven, welke mensen, welk misschien gekoesterde deel van mezelf?

Pressfield bevestigt dat. Weerstand = angst: angst om te falen, om blut te zijn, om je opleiding weg te gooien, om belachelijk te zijn, om gek te worden. Maar het moederschip van alle angsten is paradoxaal genoeg de angst voor succes.

“I don’t even think about it”
Goed. We kijken de angst dus recht in het gezicht. Zo ziet het einde van een werkdag voor Pressfield eruit: “I power down. It’s three, three-thirty. The office is closed. How many pages have I produced? I don’t care. Are they any good? I don’t even think about it.”

Het enige wat ertoe doet is dat hij het weer gedaan heeft: zitten, schrijven, de Weerstand verslaan. Pro worden is een beslissing die je neemt – geen smoesjes, geen bullshit.

The War of Art is herkenbaar en inspirerend. Je kunt Weerstand verslaan. Goed nieuws! De auteur helpt je op weg door kort en krachtig te schrijven. De hoofdstukken zijn zo beknopt dat Weerstand nauwelijks een kans krijgt. Ook vind ik het heel prettig dat de auteur hij en zij regelmatig afwisselt. Als the pro een zij is, voel ik me direct meer aangesproken. Chapeau voor Pressfield dat hij daar oog voor heeft, niet automatisch kiest voor ‘hij’, en ook niet het gebruik van ‘hij’ als zogenaamd neutraal of handiger persoonlijk voornaamwoord probeert te verantwoorden. Zo vanzelfsprekend eigenlijk, hoera!


Now if you’ll excuse me…
Ik moet, geheel gekleed en met gepoetste tanden, naar het volgende taakje op mijn planning. En ja, ik heb ontbeten, al pauze gehad en mijn Facebook staat uit 🙂

One thought on “Schrijven is oorlog of: kleine boekjes 1

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *